Actueel

Weetje van de Week: Taalgebruik in de Tweede Kamer

Bij de afgelopen Algemene Beschouwingen beklaagden tv-kijkers zich over de harde woorden en “sterke” uitdrukkingen die werden gebruikt tussen bijvoorbeeld Wilders (PVV) en Kuzu (DENK). Verschillende Kamerleden vonden het grove taalgebruik ook een doorn in het oog. Niet voor eerst leert de geschiedenis want sinds de oprichting van de Tweede Kamer in 1814 is het woordgebruik punt van discussie.

De minderheid zit de meerderheid dwars
Een bekend voorbeeld is de botsing in 1910 tussen Kamerleden Schaper (SDAP) en de Savorin Lohman (CHU). De voorman van de CHU was woedend op een actie van Schaper en vond dat “de hele Kamer moest buigen voor een klein groepje sociaaldemocraten”. Dit resulteerde in een beledigende tirade van de Groninger Schaper waarbij hij de regeringspartijen typeerde als “lelijke kornuiten”. De Kamervoorzitter, dhr. de Geer, zag zich genoodzaakt om in te grijpen. Kamerlid Schaper werd gesommeerd zijn toon te matigen, bleef hij sterke bewoordingen gebruiken dan zou de voorzitter hem het woord ontnemen en in het uiterste geval Schaper uit de Kamer laten verwijderen. Schaper mopperde maar matigde zijn toon.

Reglement van orde
Bovenstaand voorbeeld behoort tot een van de vele onenigheden tussen Kamerleden waarbij een hoofdrol is weggelegd voor het taalgebruik. In 1934 besloot men daarom om de Kamervoorzitter de juridische bevoegdheid te geven om bepaald taalgebruik te kunnen schrappen uit de Handelingen; het schriftelijk verslag van de Tweede Kamer. Deze vorm van censuur die de Kamervoorzitter kon toepassen, kwam in de jaren ’90 steeds meer onder druk te staan. De kritiek baseerde zich vooral op de mate waarin, bijvoorbeeld in het geval van Kamerlid Janmaat (CD), de voorzitter in naam van de Kamer een te groot tegenwicht bood tegen bepaalde uitlatingen. En dat was de taak van Kamerleden, niet van de voorzitter. Om deze reden werd in 2001 besloten de Kamervoorzitter niet meer de bevoegdheid te geven om woorden te schrappen uit de Handelingen.

Discussie omtrent het taalgebruik van Kamerleden is van alle jaren. Juist de afwijking van taalgebruik, mits niet beledigd en opgeroepen wordt tot geweld, kan een afspiegeling zijn van gewenste politieke omgangsvormen in de samenleving.