Actueel

Weetje van de week: Campagneretoriek

Op 20 maart vinden de verkiezingen voor de Provinciale Staten en de Waterschappen plaats. Het RTL debat op 7 maart is de officieuze campagneaftrap waarbij vooral de landelijke fractievoorzitters zich graag presenteren. Niet alleen om hun provinciale kandidaten te steunen, maar vooral met het belang van de Eerste Kamerzetels in het achterhoofd. Nu de verkiezingsdag dichterbij komt veranderen de voorstellen, de aanvallen en taal van politici om zich extra te profileren.

Slogans, mediatermen en “zeggen waar het op staat”
Een van de vormen van campagneretoriek die al decennia goed werkt zijn de taalvondsten op posters of folders van de politieke partijen. Zo zijn veel mensen nog bekend met de slogan “PSP, ontwapenend” onder de iconische foto van een naakte vrouw in een weiland. Iets recenter, de slagzin van Rita Verdonk voor de lijsttrekkersverkiezing van de VVD: “Ik ben niet links, ik ben niet rechts, ik ben rechtdoorzee”.

Mediatermen en slagzinnen die door partijen blijvend worden herhaald doen het in de campagne van 2019 ook goed. Zo voert het CDA al een aantal weken de zin “Een hele goede morgen!” aan op alle sociale kanalen. Ondanks, of dankzij, de ironie waarmee andere politici deze zin blijven gebruiken lijkt de zin steeds meer te blijven hangen. Ook de metafoor van Rutte die Nederland omschrijft al een ”kwetsbaar vaasje” wordt steeds sterker toegeëigend door de VVD. De aftrap van de campagne vond dan ook plaats in een vaasjesfabriek, waar Rutte persoonlijk vaasjes signeerde.

Naast mediatermen en slogans domineren “stoere” uitspraken regelmatig het nieuws. Zo sprak Rutte over “Witte wijn sippende elite in Amsterdam” en het “in elkaar slaan” van mensen die tijdens oud en nieuw hulpverleners mishandelden. Wederom was er veel commotie en verwijt van populisme.

Buiten het regeerakkoord om
Minister Cora van Nieuwenhuizen kreeg zowel uit eigen coalitie als vanuit de oppositie de wind van voren na haar recente uitspraken dat Schiphol mag doorgroeien na 2020. In haar statement bleven de randvoorwaarden van veiligheid en milieu achterwege, wat haar stelligheid benadrukte en bij velen in het verkeerde keelgat schoot. Haar verdediging was een verwijzing naar het regeerakkoord, waarin staat dat Schiphol mag groeien, mits aan voorwaarden wordt voldaan. De coalitiepartners benadrukten direct de mitsen en maren aan de uitspraak. De oppositie duidde het als een VVD politica op campagne, niet als de uitspraken van een minister.

Eerder dit jaar stuitte de coalitie ook al op onenigheid op gebied van het klimaatakkoord en het kinderpardon. D66 en ChristenUnie wisten op een slimme manier het CDA mee te krijgen om in te stemmen met een breder kinderpardon. Een probleem voor de VVD, die van een verruiming geen voorstander is. “We houden ons vast aan het regeerakkoord”, reageerde Klaas Dijkhoff (VVD). Met de wil om het kabinet niet te laten vallen is de VVD uiteindelijk onder voorwaarden overstag gegaan.

Dezelfde Klaas Dijkhoff baarde in diezelfde periode opzien door aan een krant te laten weten niet per definitie alle punten uit klimaatakkoord uit te voeren. Rob Jetten (D66) veroordeelde hij tot de inmiddels bekende term “Klimaatdrammer”. Wederom geen blije coalitiegenoten en een Kamerdebat om de uitspraken, maar weer wist een partij zich door harde taal te onderscheiden.

De kibbelcoalitie
De “stoere uitspraken” die politici uit het kabinet voorafgaand aan de verkiezingstijd doen kunnen daadwerkelijke verandering in werk stellen. Het zijn voor de partijen goede trucjes om media aandacht te krijgen, coalitiegenoten onder druk te zetten of hun standpunt de verduidelijken. Echter leiden er ook genoeg tot een lang durende semantische discussies. Zo stelde Bas Knoop in het Financieel Dagblad (2 februari) dat het verzetten van het klimaatdebat, zodat Dijkhoff aanwezig zou zijn, een schouwspel was. De oppositie was uit op het benadrukken van de verdeeldheid in de coalitie, maar een discussie om de inhoud zat er niet in. Lodewijk Asscher wist uit deze discussie nog een campagneterm te halen door te spreken van een “kibbelcoalitie”. Een schoolvoorbeeld campagneretoriek.