Blogs

De informateur als illustere pijler in ons staatsbestel.

‘Je kunt merken dat deze man ervaring heeft’, dat waren de woorden van Farid Azarkan na zijn gesprek met Herman Tjeenk Willink, die de moeilijke taak had gekregen om de politieke impasse te doorbreken. Twee weken daarvoor was de 79-jarige Tjeenk Willink te gast in het politieke praatprogramma Spuigasten. Op de vraag of hij bereid zou zijn om wederom informateur te worden, antwoordde hij: ‘Het is volgens mij armoede als je moet constateren dat je alleen bij een 79-jarige kan uitkomen – hoe leuk dat voor die 79-jarige ook voor één dag is. Maar het is niet goed.’

Achtmaal informateur

Nederland heeft, vergeleken met bijvoorbeeld de Verenigde Staten, geen cultuur van senioriteit als belangrijk ijkpunt in de politiek. Het landsbestuur ligt van oudsher vooral in handen van veertigers en vijftigers. Kijkend naar de rijke geschiedenis van Nederlandse informateurs, blijkt dat adagium echter niet op te gaan. Juist in deze positie hebben senioriteit en ervaring een belangrijke rol gespeeld. Weinigen komen in de buurt van de staat van dienst van de gelouterde Tjeenk-Willink, die zesmaal informateur is geweest. Hij wordt slechts afgetroefd door de staatsman Louis Beel, die de functie achtmaal heeft vervuld. Dat werpt de vraag op; wie is dé informateur?

In de schaduw van Tjeenk-Willink en Beel staan mannen, veel mannen. Vrijwel allemaal van (ruim) boven de vijftig en met een behoorlijke statuur. Alleen Edith Schippers en Els Borst vormden tot op heden de uitzondering, tot Mariëtte Hamer vorige week donderdag aan dit rijtje werd toegevoegd. De afstand van de informateur tot de politieke praktijk van dat moment loopt uiteen en is vaak afhankelijk van de opdracht. Dat brengt ons erbij dat er grofweg twee type informateurs bestaan: vooruitgeschoven vertrouwelingen en meer onafhankelijke ‘staatslieden’.

Vertrouwelingen of staatslieden

De keuze voor de eerste categorie, de informateur uit de vertrouwenshoek van de lijsttrekker, ligt vaak voor de hand. Voorbeelden uit de afgelopen twee decennia zijn Henk Kamp, Piet Hein Donner, Edith Schippers, Ivo Opstelten en Wouter Bos. In dit rijtje past bijvoorbeeld ook Jan de Koning, die als vertrouweling van Lubbers driemaal in de jaren tachtig de rol van de samenbindende man in de formatie vervulde. CDA-historicus Kroeger stelde recentelijk over hem: ‘Hij was ‘de gouden standaard’ als verkenner en informateur. Een minister die elke onmogelijke kwestie en zware post aankon. Toen men gisteren zei ‘we moesten maar terug naar de Koning’ had men ‘naar Jan de Koning’ moeten zeggen.’

De tweede categorie is omgeven met mystiek. De desbetreffende heren, allemaal ruimschoots de zestig gepasseerd, zijn in onze geschiedenis vrijwel altijd opgeroepen in politieke impasses. Zo vroeg men in de moeilijke formatie van 1981 de ervaren, progressieve, 70-jarige ARP’er De Gaay Fortman, om de brug te slaan naar het kabinet Van Agt-II. Vier jaar daarvoor werd eenzelfde sleutelrol vervuld door de 64-jarige Wim van der Grinten, die, 26 jaar na zijn vertrek uit de politiek, in korte tijd het duo Wiegel en Van Agt samensmeedde. PvdA-onderhandelaar Van Thijn stelde in zijn befaamde onderhandelingsdagboek: “Het is een schrale man. Niet gewend aan publiciteit, wel aan invloed. Meer een regisseur dan een acteur.” Een recent voorbeeld betreft de formatie van 2003, toen de 71-jarige minister van Staat Frits Korthals Altes en de 61-jarige staatsraad Rein Jan Hoekstra, erin slaagden om, nadat Piet Hein Donner er niet in geslaagd was om de PvdA en het CDA te binden, D66 te overtuigen om voor de eerste maal in de geschiedenis in een centrumrechts kabinet met het CDA en de VVD te stappen.

Naast leeftijd, zijn er nog twee ‘wetmatigheden’. Enerzijds het lidmaatschap van de Raad van State, anderzijds de (vroegere) invloed van het staatshoofd, die vrijwel altijd vertrouwelingen koos. Minister van staat Ruud Lubbers (2006 en 2010), is hier, als goede vriend van Beatrix, het meest recente voorbeeld van. Haar moeder Juliana leunde op de voormalige KVP-premier Louis Beel. In 1963, 1966 en 1967 werd hij als vicepresident van de Raad van State opgeroepen om de gemoederen te sussen. De gelijkenissen met Tjeenk Willink zijn tekenend. Zo stelde De Volkskrant in 1963: ‘Koningin Juliana heeft weer teruggegrepen naar de wat ouderere garde, de katholieke dr. Louis Beel gaat het politieke terrein voor haar verkennen…’ In 1967 liet De Waarheid zich in gelijke bewoordingen uit: ‘De onvermijdelijke Beel’ wordt hij in de Haagse wandelgangen genoemd: prof. dr. Louis Maria Beel, de 64-jarige KVP-politicus, die ook bij deze kabinetsformatie weer een van de sleutelfiguren achter de schermen blijkt te zijn.’

Formatie 2021

Terug naar 2021. Begin vorige maand, na meerdere zeer verhitte debatten, bleek politiek Den Haag, toe aan ‘rust’. Misschien dat juist in die neiging naar ‘rust’, de sleutel ligt van de reeks aan ervaren informateurs van respectabele leeftijd. Politiek is namelijk geen kwestie van wetmatigheden; het draait om mensen, met ideeën, emoties en karakters. De informateur daarentegen, straalt, als drager van ons rijke politieke verleden, mystiek, soberheid en gezag uit. Hij belichaamt de noodzaak om het ‘schip der staat’ op koers te houden, weg van politieke ego’s en de ruis van alledag. De keuze voor een informateur is dan ook onlosmakelijk verbonden met onze parlementaire cultuur.

In dat kader is er met de keuze voor Mariëtte Hamer, voorheen PvdA-politica en nu SER-voorzitter, op z’n minst sprake van een kleine trendbreuk. Die trendbreuk leidt hopelijk spoedig tot resultaat. Hamer heeft van de Kamer tot 6 juni gekregen om te onderzoeken welke partijen kunnen gaan formeren.