Categorie archieven: Nieuws

Weetje van de Week: De fascinerende vaccinatiediscussie

Afgelopen juni publiceerde het RIVM cijfers omtrent het Rijksvaccinatieprogramma. Daaruit is gebleken dat nog maar 90,2% van de tweejarige peuters was ingeënt tegen ziektes zoals mazelen, tetanus, kinkhoest en polio. Kinderartsen gaven aan zich zorgen te maken over deze ontwikkeling. Volgens de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) is er namelijk een percentage van 95% nodig om de groepsimmuniteit te kunnen waarborgen. 

Deze cijfers gaven aanleiding voor het aanwakkeren van de discussie rondom de vraag: ‘moet ik mijn kind wel of niet laten inenten?’. Niet alleen in de media werd er veel gesproken en geschreven over deze vraag, ook politiek Den Haag heeft van zich laten horen. Zo gaat D66 een wetsvoorstel indienen die peuteropvangcentra en crèches de mogelijkheid biedt om zelf de keuze te maken of ze kinderen willen toelaten die niet deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma. Ook artsen komen in actie, namelijk op Twitter met de hashtag #ikvaccineer. Hiermee proberen ze twijfelende ouders te overtuigen om hun kinderen wel in te enten.

Want waar komt de weigering van vaccins vandaan? Het belangrijkste argument dat de weigeraars, wie zichzelf ook wel anti-vaxxers noemen, aanhalen, is een artikel uit het artsenblad The Lancet. Uit dit artikel zou zijn gebleken dat inenten autisme veroorzaakt. De artsen onderzochten twaalf peuters. Bij acht van hen bleek autisme te zijn vastgesteld een maand na de inenting. Een belangrijke toevoeging aan deze bevinding, maar die door de weigeraars niet wordt meegenomen in hun keuze, is dat er sprake is van een ‘mogelijke relatie’. Oftewel, in het betreffende onderzoek is geen causaal verband vastgesteld.

Waar deze discussie uiteindelijk toe leidt, zal nog moeten blijken. Het vormt in ieder geval het gesprek van de dag omtrent een ontwikkelend onderwerp.

Weetje van de Week – Minister van Staat, kroon op een carrière?

Vorige week was er onverwacht nieuws; maar liefst drie oud-ministers werden tegelijkertijd benoemd tot minister van staat. Deze uitzonderlijke, door de regering uitgereikte eretitel werd toegekend aan Jaap de Hoop Scheffer (CDA), Winnie Sorgdrager (D66) en Sybilla Dekker (VVD). Sorgdrager was recent nog in het nieuws als voorzitter van de commissie die onderzoek deed naar de Fipronil-affaire. Daarnaast was ze minister van Justitie in het eerste kabinet-Kok. Sybilla Dekker was namens de VVD minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in het tweede kabinet-Balkenende, en Jaap De Hoop Scheffer minister van Buitenlandse Zaken in de eerste twee kabinetten Balkenende. Wat maakt dat deze oud-ministers worden benoemd tot minister van staat? En wat houdt de functie eigenlijk in?

De eretitel

De titel van minister van staat wordt tegenwoordig toegekend aan uitzonderlijke politici of staatslieden die geen publieke functie meer vervullen. Verder heeft deze titel heeft geen wettelijke basis, en bestaan er geen criteria voor de selectieprocedure. Momenteel dragen naast de nieuw benoemden vijf andere oud-bewindslieden de titel minister van staat. Dit zijn Wim Kok, Jos van Kemenade en Herman Tjeenk Willink (allen PvdA), Frits Korthals Altes (VVD) en Hans van den Broek (CDA).

Geschiedenis

De minister van staat was aanvankelijk de benaming voor een minister zoals wij die nu kennen, het hoofd van een departement. Op 16 september 1815 benoemde Koning Willem I bij Koninklijk Besluit twee ministers van staat, zonder specifieke portefeuillle. Zij stonden niet aan het hoofd van een departement, maar kregen wel enkele taken toegewezen. Deze ministers kregen destijds ook toegang tot de kabinetsraad, het adviesorgaan van de koning. In 1849 verdween de functionele inhoud van de minister van staat volledig, toen de kabinetsraad niet langer bijeenkwam. In 1823 was immers de Raad van Ministers reeds ingesteld, waartoe de ministers van staat geen toegang hadden. Sindsdien is de minister van staat een eretitel, zonder een duidelijk afgebakend takenpakket.

Takenpakket

Wat houdt de functie precies in? Ministers van staat maken geen deel uit van de ministerraad, maar kunnen door het staatshoofd worden geraadpleegd. Een voorbeeld hiervan is toen het staatshoofd nog de formateur benoemde bij een kabinetsformatie. Tevens worden zij bij gelegenheid gevraagd om de regering bij bepaalde gebeurtenissen te representeren. Ook ondersteunen ze de regering waar nodig. Zo speelde Hans van den Broek een belangrijke rol in het huwelijk van Máxima en Willem-Alexander. Als minister van staat verzocht hij de vader van Máxima om niet aanwezig te zijn bij het huwelijk. De verdere activiteiten van de ministers van staat zijn grotendeels onbekend. “En als ze er al zouden zijn, ga ik er niets over zeggen,” aldus Korthals Altes over zijn functie in de Volkskrant.

Hoe wordt je minister van staat?

De meeste ministers van staat hebben een verleden als minister. Toch krijgen lang niet alle ministers deze titel. Herman Tjeenk Willink, die nooit minister in een kabinet is geweest, laat bovendien zien dat een verleden als minister geen harde voorwaarde is voor een benoeming. De functie van minister-president is eveneens geen garantie voor deze titel. Zo zijn de oud-premiers Dries van Agt, Ruud Lubbers en Jan-Peter Balkenende nooit benoemd tot minister van staat. Toen Van Agt in 2011 in een interview te kennen gaf ’teleurgesteld’ te zijn dat de erebaan hem niet te beurt was gevallen, stelde D66 Kamervragen. Rutte reageerde afgemeten: ‘Er zijn geen criteria anders dan bijzondere verdiensten die vergelijkbaar zijn met de bijzondere verdiensten van degenen aan wie deze titel eerder is verleend.’

Minister van staat is kortom vooral een eervolle titel voor oud-bewindspersonen. De titel draagt men voor het leven en is allesbehalve vanzelfsprekend. Daarmee de benoeming tot minister van staat een kroon op de carrière van oud-bewindspersonen, maar wel één die grotendeels in nevelen is gehuld.

Weetje van de Week – Boven de partijen

Op 6 juni kwamen in totaal vijf oud-Kamervoorzitters bijeen in de Tweede Kamer. Reden hiervoor was de uitreiking van het eerste exemplaar van het boek ‘Boven de partijen – De voorzitter van de Tweede Kamer’. Het boek, geschreven door Elsevier-redacteur Gerry van der List, geeft de historische ontwikkeling van het Voorzitterschap van de Tweede Kamer na 1945 weer. Hoog tijd om zelf ook een kijkje te nemen naar het Kamervoorzitterschap in historisch perspectief.

Tot 1983 werd een Kamervoorzitter gekozen voor één zittingsjaar van de Tweede Kamer. Sindsdien kiest een nieuwe Tweede Kamer na haar aantreden een voorzitter uit haar midden. De langstzittende voorzitter na de Tweede Wereldoorlog was KVP’er Rad Kortenhorst. Tussen 1948 en 1963 was Kortenhorst 15 jaar lang de man met de hamer, en in deze periode werd de Kamer uitgebreid van 100 naar 150 parlementariërs.

Opvallend is dat de kamervoorzitter lang niet altijd afkomstig is van de grootste partij. Een mooi voorbeeld is de huidige voorzitter Khadija Arib. Haar PvdA-fractie bestaat momenteel uit 9 zetels. Ook hoeft de kamervoorzitter niet altijd afkomstig te zijn van een coalitiepartij. Zo werden Anne Vondeling en Dick Dolman (beiden PvdA) in 1977 en 1982 voorzitter van de Kamer. De PvdA was destijds wel de grootste partij in het parlement, maar maakte uiteindelijk geen onderdeel uit van de regering.

In het verleden is het niet vaak voorgekomen dat een Kamervoorzitter tussentijds is afgetreden. Graaf Van Bylandt legde in 1912 de voorzittershamer naast zich neer toen bleek dat hij de provocerende socialisten in het parlement niet onder controle kon houden. Anouchka van Miltenburg trad in 2015 af na duidelijk werd dat ze een rol had gespeeld in het achterhouden van correspondentie over de zogenaamde Teevendeal.

Diversiteit staat sinds recent ook hoog in het vaandel bij de Tweede Kamer. De afgelopen twintig jaar zijn er namelijk vier vrouwelijke Kamervoorzitters geweest, waarvan Jeltje van Nieuwehoven (PvdA) in 1998 de eerste was. Deze wending toont aan dat ook de Tweede Kamer met zijn tijd meegaat.

Weetje van de Week: De agenda van politici

Vorige week kwam EenVandaag met een overzicht van de aanwezigheid van Kamerleden bij debatten. Daaruit bleek dat Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren het afgelopen jaar slechts vijf Kamerdebatten bijwoonde. Dit komt echter niet omdat ze series kijkend haar dagen in de Tweede Kamer doorbrengt; de fractievoorzitter van de Partij voor de Dieren (PvdD) is bezig met het uitbreiden van haar partij naar het buitenland, zodat dieren, natuur en milieu wereldwijd serieus genomen worden. Momenteel heeft de PvdD achttien zusterpartijen in het buitenland opgezet. Hoewel deze uitbreiding het gedachtegoed van de partij internationaal op de kaart zet, is er ook de nodige kritiek. Met vijf zetels is de partij relatief klein, het zou zonde zijn als er slechts vier zetels daadwerkelijk worden gebruikt.

Uit het onderzoek van EenVandaag blijkt dat ook leden van andere partijen als Forum voor Democratie en de PVV weinig bij debatten aanwezig zijn. Fractievoorzitter Baudet (FvD) geeft als uitleg dat veel debatten zinloos zijn, omdat de uitkomst al van tevoren is bepaald en zijn partij daar geen energie in wil steken. Het is in zijn ogen beter om met de FvD gaat het land in te gaan en zo direct met kiezers spreekt. Toch betekent dit niet dat Baudet’s partij alleen door een beperkte groep wordt gehoord. Uit een ander onderzoek is gebleken dat de FvD, samen met de PVV, de meeste reacties op sociale media in de wacht sleept. De PVV wordt van alle partijen zelfs het meest genoemd in de media, ondanks dat de partij van Wilders relatief weinig aanwezig is bij debatten. Door deze aanwezigheid in de media worden kiezers ook benaderd en vertegenwoordigd.

Dat kleine partijen minder bij debatten aanwezig zijn is geen harde natuurwet. Roelof Bisschop (SGP) is namelijk van alle Kamerleden het meest aanwezig bij debatten. Hij vindt dat deelname aan overleggen en debatten bij zijn werk als volksvertegenwoordiger hoort, ook als kleine fractie. Opmerkelijk is dat de SGP slechts drie Kamerzetels heeft, waarvan er een tijdelijk niet werd bemand door de afwezigheid van toenmalig Kamerlid Elbert Dijkgraaf. Dit was echter geen probleem voor Bisschop om als Kamerlid het vaakst deel te nemen aan debatten. De top drie van de meest aanwezige Kamerleden wordt verder aangevuld door twee PvdA’ers: Henk Nijboer en Gijs van Dijk.

Men kan zich afvragen met welke invulling de kiezer het best vertegenwoordigd wordt. Aan de ene kant representeer je de kiezers door aanwezig te zijn bij debatten en daar standpunten in te brengen waarvoor je als politicus gekozen bent. Aan de andere kant kun je je kiezers vertegenwoordigen door met hen in gesprek te gaan en hun idealen in het buitenland of via de media te verkondigen. De vraag is dan wel in hoeverre een politicus op een effectieve manier gebruik maakt van zijn/haar zetel. Belangrijk bij beide posities blijft het informeren van je kiezers, om zo transparantie te bieden op je activiteiten als Kamerlid en te waarborgen dat de stemmers zich vertegenwoordigd voelen.

Weetje van de Week: Een vroegtijdig vaarwel

Deze week werd bekend dat Sharon Dijksma en Liesbeth van Tongeren de Tweede Kamer gaan verlaten voor een functie als wethouder in Amsterdam en Den Haag. Een prachtige functie voor twee ervaren politici, maar helaas verdwijnt hierdoor wel vele kennis en ervaring. Sinds de verkiezingen in maart 2017 hebben een behoorlijk aantal Kamerleden het parlement vaarwel gezegd. Deels vanwege de functies in het nieuwe kabinet, maar ook door een aantal persoonlijke overwegingen. Wie zijn deze Kamerleden zijn en wat zijn hun overwegingen geweest om de Kamer vaarwel te zeggen? 

Sinds de verkiezingen zijn reeds zeven Kamerleden afgetreden. De redenen hiervoor lopen uiteen. Zo werd de 43-jarige Sjoerd Pjotters (VVD) in februari 2017 benoemd tot Burgemeester van de Bilt, waardoor hij ondanks zijn positie op de lijst geen zitting nam in de Kamer. Zijn partijgenoot Pieter Duisenberg trad in oktober 2017 af vanwege zijn benoeming als voorzitter van de Vereniging van Universiteiten. Naast Dijksma (PvdA) verruilen Linda Voortman (GroenLinks) en Van Tongeren (GroenLinks) ook binnenkort hun plek in de Kamer voor een wethouderspost. Daarmee komt het aantal voortijdige Kamerverlaters in de nabije toekomst op negen te liggen.

Kamerleden treden minstens zo vaak af door persoonlijke overwegingen. Zo stopte Elbert Dijkgraaf (SGP) als Kamerlid vanwege de druk van het Kamerwerk op zijn gezondheid en persoonlijke situatie. Nine Kooiman (SP) verliet de Kamer eerder dit jaar omdat ze haar Kamerlidmaatschap niet kon combineren met haar plicht als ouder. 

Voor Jeroen Dijsselbloem (PvdA) was de reden van zijn vertrek minder vanzelfsprekend. In oktober 2017 trad hij af als Kamerlid omdat hij “het werk in de Kamer niet meer op kon brengen” , en zei “niet over de vuurkracht te beschikken om de PvdA er weer bovenop te helpen”. Voormalig SP-kopman Emile Roemer trad af onder dezelfde noemer, mede omdat hij “het de juiste tijd [vond] om het stokje over te dragen aan de nieuwe lichting”.

Persoonlijke overwegingen en de benoeming op een andere positie in de (semi-)publieke sector zijn de voornaamste redenen voor Kamerleden om af te treden. Enerzijds kan men pleiten voor de vrijheid van Kamerleden om een andere functie te gaan bekleden of af te treden. Het is immers om persoonlijke redenen vaak onontkoombaar om het Kamerlidmaatschap op te zeggen. Voor het aannemen van een andere functie zou er volgens deze gedachtegang ruimte moeten zijn voor groei van een Kamerlid in de maatschappij.  Anderzijds kan worden aangevoerd worden dat kritisch met het Kamerlidmaatschap om moet worden gegaan. Je hebt als Kamerlid immers de keuze gemaakt om op de kandidatenlijst te staan, en bent vervolgens voor een gehele kabinetsperiode verkozen als volksvertegenwoordiger. Het zou volgens deze redenering je taak zijn om je kiezers te blijven dienen.

Tot slot zeggen de persoonlijke overwegingen van de genoemde Kamerleden ook iets over de druk van het werk als Kamerlid. Wellicht is het voor een buitenstaander te makkelijk om tot een oordeel te komen over het vroegtijdig verlaten van het parlement. Een Kamerlid moet immers wel in staat zijn om zijn om het mandaat van de kiezer op een passende manier te vervullen. En de afweging of een Kamerlid daartoe in staat is kan maar door één persoon worden gemaakt: het Kamerlid zelf.

Weetje van de Week: De Voorjaarsnota 2018

De ambtenaren bij het Ministerie van Financiën draaien op het moment overuren. Vóór 1 juni moet namelijk de Voorjaarsnota naar de Tweede Kamer worden gestuurd. Deze Voorjaarsnota wordt ieder jaar aan de Tweede Kamer aangeboden en biedt een overzicht van de ontwikkelingen op de Rijksbegroting. Ook wordt er in de Voorjaarsnota aangegeven welke kostenposten hoger of lager uitvallen. De Voorjaarsnota speelt daarnaast een grote rol in het opstellen van de Miljoenennota die op Prinsjesdag wordt gepresenteerd. Nadat de Voorjaarsnota is aangeboden aan de Kamer volgen er altijd uitgebreide debatten met de minister van Financiën.

Bij de aanstaande Voorjaarsnota is de grootste tegenvaller de verlaging van de winning van het aardgas. Deze gaswinning wordt versneld teruggedraaid, waardoor het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat inkomsten misloopt. Daarnaast is er nog geen budget vrijgemaakt om de getroffen Groningers te compenseren voor hun materiële schade.

Er worden echter nog meer tegenvallers verwacht, bijvoorbeeld bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Hier ontstond een probleem nadat duidelijk werd dat er veel meer studenten doorstuderen dan verwacht. Dit brengt veel meer overheidssteun met zich mee. Bij het ministerie van OCW wordt er daarom in totaal zo’n 65 miljoen euro extra budget vrijgemaakt, tot groot genoegen van coalitiepartners D66 en ChristenUnie. 

De Voorjaarsnota bevat echter ook resultaten die positief zijn. Bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is er namelijk een stuk minder uitgegeven dan dat er inbegroot was. Bij SZW is dit te danken aan lagere AOW-uitgaven, terwijl bij VWS de lonen en prijzen minder snel zijn gestegen dan verwacht.

Minister Hoekstra van Financiën kan zich voorbereiden op een stevig debat omtrent de Voorjaarsnota. Aan de staatsschuld zal het echter niet liggen, zo werd vandaag op Verantwoordingsdag bekend. De staatsschuld is namelijk gezakt onder de grens van 60% die aan EU-landen wordt opgelegd. Een reden tot optimisme dus!

Weetje van de Week: Gelijke kansen – Zwangerschapsverlof in de politiek

Onlangs maakte de PVV bekend dat Tweede Kamerlid Gabriëlle Popken met zwangerschapsverlof gaat. In deze periode neemt Emiel van Dijk haar taken tijdelijk op zich. Opmerkelijk is dat Popken in 2015 als Eerste Kamerlid ook gebruik maakte van de vervangingsregeling. Daarmee is Popken de eerste Senator in de parlementaire geschiedenis die gebruik maakte van het zwangerschapsverlof.

Voor Nederlandse politici is het pas sinds korte tijd mogelijk om tijdens het ambt met zwangerschapsverlof te gaan. Ondanks de toename van jonge vrouwelijke Kamerleden, was er aan het eind van de twintigste eeuw nog geen regeling die het toeliet om zwangere politica tijdelijk te vervangen.

Een aantal vrouwelijke Kamerleden kwam hierdoor in opmerkelijke situaties terecht. Zo besloot het zwangere PSP-Tweede Kamerlid Andrée van Es in 1988 haar zetel niet op te geven. Aangezien zij in haar eentje namens de PSP in de Kamer zat, verdween haar partij daarom even geheel van het Binnenhof. Het nemen van kortstondig ontslag vanwege zwangerschap bood namelijk geen zekerheid op terugkeer na afloop van het verlof.

Om deze reden besloot GroenLinks-Kamerlid Ina Brouwer in 1990 actie te voeren. Zij kondigde haar zwangerschap aan in een brief, die ze door de Kamervoorzitter liet voorlezen. Brouwer schreef dat ze, door gebrek aan een zwangerschapsverlofregeling, maar deed alsof deze bestond en meldde zichzelf twaalf weken af. Bij belangrijke stemmingen kwam ze echter wel.

De actie van Brouwer en haar voorgangers leverden succes op: het Kabinet-Lubbers III diende in 1993 een wetsvoorstel in tot herziening van de Grondwet. Hierdoor moest het mogelijk worden voor volksvertegenwoordigers om zich tijdelijk vanwege zwangerschap te laten vervangen. Het wetsontwerp haalde echter in de tweede lezing de twee derde meerderheid niet. Het verzet van de VVD was beslissend, die als reden gaf dat een vervangingsregeling niet voor één specifieke reden geïntroduceerd moest worden. Daarom kwam kabinet-Kok II in 2001 met een breder wetsvoorstel, waarmee ook langdurige zieken de mogelijkheid kregen om maximaal zestien weken vervangen te worden. De wijziging van de Grondwet trad in 2006 in werking, en werd door het geëmancipeerde karakter dan ook getypeerd als ‘historisch.’ 

Naast Gabriëlle Popken, hebben onder meer Femke Halsema, Marianne Thieme, Mirjam Sterk en tevens haar tijdelijke vervangster Sabine Uitslag dankbaar gebruik gemaakt van de inzet van hun voorgangers om het Kamerlidmaatschap en het krijgen van kinderen te combineren. Nu de man-vrouw verdeling in de Kamer steeds evenwichtiger wordt, en de gemiddelde politicus ook jonger is, zijn dergelijke regelingen van essentieel belang om mannen én vrouwen gelijke kansen in de politiek te bieden.

Weetje van de Week: Gaat 1 mei in Nederland onopgemerkt voorbij?

Wereldwijd is 1 mei uitgegroeid tot een ware feestdag, waarop driekwart van de wereld vrij is. Maar waarom zijn wij in Nederland niet vrij op deze Dag van de Arbeid? En wat wordt er eigenlijk op deze dag gevierd?

Historisch perspectief

De dag van de Arbeid, ook wel bekend als de feestdag van de socialistische, communistische en anarchistische arbeidersbeweging heeft als grondslag de achturige werkdag. Deze eis werd in de 15e en 16e eeuw vaak gehoord onder Engelse ambachtslieden. Op het congres van de Tweede Internationale in 1889 werd besloten om van 1 mei 1890 een internationale strijddag te maken voor deze eis. Op deze eerste Internationale dag van de arbeid in 1890 waren grote demonstraties in verschillende landen zoals Frankrijk, Italie, Spanje, Noorwegen en Nederland. In de loop der tijd werd 1 mei als dag van de arbeid een jaarlijkse traditie.

Geen vrije dag in Nederland

Ondanks de demonstraties voor de acht-urige werkdag ruim een eeuw geleden, kennen wij hier in Nederland geen echte 1 mei-traditie. Hier kunnen verschillende redenen voor worden aangevoerd. Enerzijds zou de strijd voor meer rechten in Nederland niet zo leven, al is er vanuit de FNV wel een protestmars om politici en burgers ervan te overtuigen dat de arbeidsmarkt in een daglonerseconomie verandert. Anderzijds zou 1 mei een rood imago hebben en zou de steun vanuit confessionele hoek ontbreken. Brede steun voor een vrije dag blijft volgens dit argument dan ook beperkt.

Amsterdamse ambtenaren, bankoverschrijvingen en een protestmars

Ondanks dat 1 mei officieel geen vrije dag is in Nederland, is het voor de Tweede Kamer alsnog meireces. Tevens zijn beurshandelaren en ambtenaren in Amsterdam vrij. Bankoverschrijvingen worden vandaag daarom ook niet verwerkt. Op geld van de bank zal een dag gewacht moeten worden. Last but not least grijpt de FNV de dag aan om alsnog te pleiten voor de rechten van werknemers. Daarom staat vandaag een demonstratiemars gepland door Den Haag, waarbij de deelnemers vanaf het Malieveld onder andere langs het Binnenhof en kantoren van werkgeversorganisaties. Zo gaat de Dag van de Arbeid toch niet helemaal onopgemerkt aan onze neus voorbij.

Weetje van de Week: De traditie rondom Koningsdag

Vrijdag 27 april is het zover: Koningsdag. Traditiegetrouw viert heel Nederland dan de verjaardag van de vorst(in). De monarch zelf viert zijn verjaardag door met het Koninklijk Huis een willekeurige Nederlandse stad met een verzoek te vereren. Maar de precieze invulling van Koningsdag is door de jaren heen sterk veranderd.

De eerste keer dat de verjaardag van een lid van het Koninklijk Huis werd gevierd was op 31 augustus 1885. Destijds werd de vijfde verjaardag van prinses Wilhelmina gevierd op ‘Prinsessedag’. Het doel van de viering was het benadrukken van de nationale eenheid. Nadat koning Willem III in 1890 was overleden werd Prinsessedag officieel omgevormd tot Koninginnedag. Koninginnedag werd toen nog lang niet zo uitbundig gevierd als de afgelopen decennia. Ook werd het niet op iedere plek in Nederland gevierd. Doordat de verjaardag van Koningin Wilhelmina destijds samenviel met de laatste dag van de schoolvakanties, werd Koninginnedag in eerste instantie ook een feest voor kinderen.

Koningin Wilhelmina en haar opvolgster koningin Juliana vierden Koninginnedag vrijwel altijd in hun eigen paleis. Onder koningin Juliana werd er jaarlijks een defilé gehouden op het bordes van Paleis Soestdijk. Dit defilé werd live uitgezonden op televisie. Gedurende het koningschap van Juliana werd Koninginnedag omgevormd tot een officiële feestdag. Zodoende was iedereen vrij op deze dag, en kon de gehele bevolking meedelen in de feestvreugde.

Koningin Beatrix, die in 1980 aantrad, besloot 30 april als datum voor Koninginnedag aan te houden, de geboortedag van haar moeder. Wel veranderde ze de invulling van de dag zelf: voortaan ging koningin Beatrix samen met de Koninklijke familie ergens op bezoek in Nederland. Zodoende kon de Koninklijke familie samen met het volk Koninginnedag vieren.

Koninginnedag 2013 was voorlopig de laatste editie, aangezien die dag koning Willem-Alexander aantrad. Met zijn aantreden werd de naam van de dag veranderd, maar verder zette koning Willem-Alexander de invulling van koningin Beatrix voort. Tevens introduceerde koning Willem-Alexander in 2013 de Koningsspelen, een sportdag voor basisscholen daags voor Koningsdag. Komende vrijdag zal de koninklijke familie de gemeente Groningen met een bezoek vereren. Verder zijn er in het hele land uiteraard de nodige festivals en vlooienmarkten zodat iedereen op eigen wijze invulling kan geven aan deze nationale feestdag.

Weetje van de Week: Vernieuwend door conservatisme

Aanstaande dinsdag wordt de SGP honderd jaar oud. Daarmee is zij de langstzittende politieke partij van Nederland. Hoog tijd om eens in de geschiedenis van de Staatkundig Gereformeerde Partij te duiken!

De SGP werd op 24 april 1918 in Middelburg opgericht uit onenigheid met de toen bestaande protestants-christelijke partijen. De SGP wilde een strikt, volgens Bijbelse normen geregeerd, protestants Nederland. Gerrit Hendrik Kersten, predikant van de Gereformeerde Gemeenten,  wordt gezien als de stuwende kracht bij de oprichting van de partij. De SGP deed in 1918 voor het eerst mee met de Tweede Kamerverkiezingen, maar toen werden onvoldoende stemmen voor een zetel behaald. In 1922 haalde de partij wel een zetel, wat het begin vormt van een onafgebroken Tweede Kamervertegenwoordiging. Daarmee is de SGP de enige politieke partij van voor de Tweede Wereldoorlog in het huidige Nederlandse parlement.

Het is kenmerkend voor de SGP dat de partij geen grote schommelingen kent. Het ledental vertoont bijvoorbeeld een gestaagde stijgende lijn, met elke twee decennia een groei van ongeveer 10.000 leden. Daarnaast blijft het electoraat vrij stabiel, waar de vertegenwoordiging in de Tweede Kamer de laatste jaren schommelt tussen de twee en drie zetels. Ook de jongerenorganisatie behoort al jaren tot een van de grootste van alle politieke partijen.

Toch ontvangt de SGP ook kritiek. Zowel binnen de partij, waar de wat vrijere jongeren zich afzetten tegen de streng gereformeerde leer van de ouderen, als van buitenaf. De SGP heeft bijvoorbeeld uitgesproken standpunten op het gebied van echtscheidingen, abortus en euthanasie. Dit leidt regelmatig tot protest vanuit de maatschappij. Ook de rol van de vrouw was lange tijd een discussiepunt binnen de SGP. Vrouwen kunnen echter sinds 2006 lid worden van de SGP, en door een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kunnen vrouwen zich sinds 2013 ook verkiesbaar stellen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2014 werd dan ook de eerste vrouwelijke SGP-volksvertegenwoordiger gekozen. 

De SGP heeft zich in de loop van de jaren weldegelijk ontwikkeld en vernieuwd. Toch staat de partij na honderd jaar nog steeds achter hun beginselstandpunten. Al met al vormt de SGP, ondanks het relatief kleine zetelaandeel in de Kamer, een gerespecteerd conservatief geluid in de Tweede Kamer.