Categorie archieven: Nieuws

Weetje van de week: Natuurtop in Parijs

Tijdens de natuurtop in Parijs werd afgelopen maandag een rapport gepresenteerd door het IPBES: het VN-platform voor biodiversiteit en ecosysteemdiensten. 700 wetenschappers over de hele wereld werkten mee aan dit onderzoek naar biodiversiteit en stellen dat de natuur wereldwijd in een ongekend tempo achteruit gaat. Het rapport biedt oplossingen, maar politici over de hele wereld moeten snel handelen om fundamentele verandering in gang te zetten. In dit weetje van de week: de conclusies en aangereikte oplossingen uit het onderzoek en de vervolgstap op internationaal niveau.

De afnemende biodiversiteit
De biodiversiteit, de variatie van biologische soorten in een ecologisch systeem, neemt volgens het rapport van het IPBES in een alarmerend tempo af. Zo worden één miljoen (van de circa acht miljoen) planten- en diersoorten met uitsterven bedreigd; het tempo van uitsterven ligt tientallen keren hoger dan gemiddeld in de laatste 10 miljoen jaar. Ook constateren de onderzoekers dat slechts 13 procent land en 23 procent van de oceanen nog onaangetast is.

Oorzaken van deze problematiek zijn destructief landgebruik, klimaatverandering, overbevissing, vervuiling en invasieve soorten. Deze acties hebben ook directe gevolgen voor de mens. Zo beschikt mede door de dump van zware metalen en giftige stoffen 40 procent van de wereldbevolking niet over schoon drinkwater.

Andere prioriteiten
In het rapport staan oplossingen die overheden in kunnen zetten om de versnelde afname van biodiversiteit tegen te gaan. Milieuonderzoeker Ingrid Visseren-Hamakers, die meeschreef aan het rapport, stelt dat het aanwijzen van nieuwe natuurreservaten niet voldoende is. Transformative change is noodzakelijk: “fundamentele verandering in sociale, economische en technologische structuren van de maatschappij”. Hierbij kan men denken aan subsidies en nauwere samenwerking met lokale bevolking, alsmede het stellen van andere prioriteiten in de omgang met landbouwgrond.

Een voorbeeld is dat de opbrengsten van intensieve landbouw brengen meer op voor een boer dan de financiële compensatie voor het laten staan van een bos. Dit gevecht kan de natuur nooit winnen, aldus hoogleraar bos- en natuurbeleid Esther Turnhout. Met hogere subsidies voor duurzaam landgebruik en het stimuleren van lokale initiatieven kunnen beleidsmakers hier een oplossing bieden. Ook de consument speelt een belangrijke rol. Wanneer er hogere prijzen voor voedsel betaald worden, kunnen boeren met minder intensieve en grootschalige productie leven van hun opbrengsten.

Internationale oplossingen
Het rapport schetst een alarmerend beeld dat roept om internationale actie. Robert Watson, IPBES-voorzitter, noemde de verwoesting van de biodiversiteit zelfs een “minstens even grote bedreiging voor de mensheid als de opwarming van de aarde”. Met deze boodschap werkt de organisatie toe naar een wereldwijd biodiversiteitsverdrag, die in 2020 door 132 VN-lidstaten getekend moet worden.

Dit verdrag is een nieuwe versie van het verdrag van de VN-Conventie inzake Biologische Diversiteit (CBD) uit 1992. Dit is niet de enige keer dat wereldleiders een document inzake biodiversiteit ondertekenen. In 2010 werden de “Aichi-doelen” gesteld: een halvering in de achteruitgang van biodiversiteit, meer beschermde natuurgebieden en duurzame land- en bosbouw. Deze doelen zijn vooralsnog niet in zicht. Om deze reden hoopt emeritus-hoogleraar natuurbeheer Frank Berendse dat het rapport van IPBES dezelfde status gaat krijgen als het rapport van de IPCC dat de basis vormde van het klimaatakkoord uit 2015.

In Nederland pleiten diverse milieuorganisaties voor een Europese aanpak van de problemen zoals ontbossing. D66-leider Rob Jetten stelt dat het van belang is een internationaal Natuurakkoord te tekenen, vergelijkbaar met het klimaatakkoord van Parijs. Om de resultaten uit het IPBES onderzoek te bespreken in de Tweede Kamer is door Kamerlid De Groot (D66) een rondetafelgesprek aangevraagd.

Weetje van de week: Dag van de Arbeid

Op 1 mei vond de Dag van de Arbeid plaats. Het is van oorsprong een feestdag van de socialistische, communistische en anarchistische arbeidersvereniging. Deze dag is ontstaan in 1890 als een internationale strijddag voor een maximale werkdag van acht uur, waarop in verschillende landen – waaronder Nederland – demonstraties werden georganiseerd. Daarna is het een jaarlijkse traditie geworden. Toch leeft de 1-meiviering de afgelopen jaren in Nederland niet echt meer, maar lijkt het in landen om ons heen nog uitbundig te worden gevierd.

Doel bereikt
In Nederland is deze dag geen officiële feestdag of vrije dag en moet er over het algemeen gewoon gewerkt worden. Historicus Sjaak van der Velden beschrijft dat deze dag tot de jaren zestig groots werd gevierd met optochten in de steden. Van der Velden geeft aan dat er verschillende oorzaken zijn voor het feit dat 1 mei in Nederland geen nationale vrije dag is. Eén praktische: Koninginnedag zat er vlak voor. Maar ook een diepgaandere reden: de socialisten en communisten in Nederland hadden de doelen bereikt en er was geen behoefte meer aan strijd. Tegelijkertijd was de Koude Oorlog gaande en werd 1 mei in Rusland met veel militaire trots gevierd, waar mensen in Nederland liever niet geassocieerd mee wilden worden. Hierna is het belang van de dag langzaamaan afgezwakt en de viering ervan uitgestorven.

Europese strijdtaferelen
Hierin verschilt Nederland dus sterk van andere Europese landen. In verband met 1 mei was er dit jaar in vijftien Europese landen een rijverbod van toepassing, waarbij er dus geen goederen via de weg vervoerd konden worden. Tevens hield de Euronext, net als veel andere Europese beurzen, de deuren gesloten en was er tussen banken geen betalingsverkeer mogelijk, ook niet in Nederland.

In Parijs waren 40.000 betogers aanwezig, bestaande uit vakbondsleden en ‘gele hesjes,’ om samen te protesteren tegen het beleid van president Macron. Helaas werd het strijden voor rechten hier vrij letterlijk genomen: de 7400 ingezette politieagenten moesten traangas gebruiken en hielden ruim 330 mensen aan. Ook in Duitsland, Spanje, Denemarken, Griekenland, Turkije en Rusland waren er demonstranten op straat.

Ook in Zweden waren er plannen voor grote manifestaties, maar werd er vooraf gediscussieerd over dit recht om te mogen demonstreren. Het bestuur van de kleine Zuid-Zweedse stadje Kungälv vond namelijk dat er een wetswijziging moet komen die het mogelijk maakt om Zweedse neonazi’s een verbod op te kunnen leggen om te demonstreren. Deze groeperingen grijpen namelijk de 1-meiviering aan om hun nationalistische boodschap te verkondigen. Deze groepen komen regelmatig in het nieuws vanwege incidenten, maar voorlopig laat de wetswijziging nog op zich wachten.

Nieuw leven inblazen
Caribisch Nederland is op 1 mei overigens wél vrij, met name doordat deze landen zijn meegegaan met wat er in de omringende landen gebeurden. De eilanden hebben voor een betaalde 1-meiviering wel Tweede Pinksterdag ingeleverd. Tevens was voor ambtenaren in Amsterdam 1 mei tot 2016 nog een verplichte vrije dag. Op voorstel van de VVD werd dit afgeschaft. Volgens de liberalen was de verplichte vrije dag een ‘relikwie uit een ver socialistisch verleden.’ Sinds vijf jaar probeert vakbond FNV er echter weer een dag van manifestatie van te maken. Dit jaar werd er in Amsterdam samen met duizenden mensen onder andere stilgestaan bij de successen die er zijn geboekt, maar ook om te pleiten voor een socialer Nederland. Maar, in vergelijking met andere Europese landen, kunnen wij als Nederlanders toch echt nog wat leren als het gaat om het vieren van de Dag van de Arbeid.

Weetje van de Week: Bijzonder onderwijs

Vrijheid van onderwijs
Artikel 23 van de Grondwet bepaald dat men scholen kan oprichten waar de overheid zich niet mag bemoeien met de levensbeschouwelijke inslag van de school. De overheid kan zich enkel bemoeien met de onderwijskwaliteit, maar niet de invulling van de geloofsrichting. Ook over de invulling van lessen heeft de overheid geen zeggenschap. Als een docent besluit de rekenles buiten te doen door middel van een spel, is dat volgens de wet in principe mogelijk. In de Tweede Kamer is er altijd veel discussie geweest om bijzonder onderwijs. Dat is niet vreemd, want in 2017 meldde het CBS dat meer dan 70 procent van de leerlingen in het primair en voorgezet onderwijs bijzonder onderwijs volgt.

Onderwijs op basis van religie
Op 29 maart betogen directeur-bestuurder Marco Frijlink (VOO) en directeur Hans Teegelbeckers (VOS/ABB) in Trouw dat onderwijs op basis van religie achterhaald is. Het openbaar primair en voortgezet onderwijs is volgens hen de plek waar kinderen met allerlei gezindten elkaar ontmoeten op basis van gelijkwaardigheid en wederzijds respect. Frijlinks en Teegelbeckers zijn er van overtuigd dat deze openbare onderwijsvorm de beste voorbereiding is op zelfstandig functioneren en constructief samenleven in de maatschappij. Ouders kiezen vaker voor een school op basis van het pedagogisch-didactisch concept en veel katholiek en protestants-christelijke scholen geven aan weinig meer te doen aan hun religieuze identiteit. Daarom moeten scholen zich nog wel kunnen onderscheiden op basis van een pedagogisch-didactische aanpak maar niet op basis van religie. De religieuze vorming kunnen ouders buiten school vormgeven, aldus Frijlink en Teegelbeckers.

Versnipperd onderwijs
René Kneyber pleit in zijn column in Trouw dat het Nederlandse onderwijs innovatiever is dan in de meeste andere landen. Doordat de overheid zich in mindere mate bemoeit met de inhoud van het onderwijs is Nederland een vruchtbare bodem voor verschillende onderwijsinitiatieven. Hij noemt de Vrije School, Jenaplan, Dalton en montessorionderwijs als voorbeelden. Daarnaast kunnen scholen zich ook concentreren op bepaalde onderwerpen, bijvoorbeeld technasia en cultuurprofielscholen.

Tijdens het rondetafelgesprek ‘De staat van het Onderwijs 2017-2018’ op 11 april sprak Monique Vogelzang, inspecteur-generaal van het onderwijs, over het versnipperde Nederlandse onderwijs. Hiermee doelt ze op de verscheidenheid aan scholen met verschillende achtergronden en pedagogische overtuigingen. Dit versnipperde landschap leidt volgens de inspectie tot een tekort aan consensus over ‘wat er geleerd moet worden’. Ze roept de politiek op om meer consensus te bereiken over het fundament dat kinderen moeten leren. Hierbij kan men denken aan een referentieniveau voor rekenen en taal. Daarnaast gaf de inspectie aan dat scholen te weinig evalueren of doelen behaald worden. Daardoor is het moeilijk te meten wat werkt en wat niet.

Kneyber haalt in zijn opiniestuk een onderzoek aan van Guuske Ledoux en Monique Volman. Ook uit hun onderzoek blijkt dat vernieuwende scholen zichzelf niet goed evalueren. Desondanks viel hen op dat bijzondere scholen niet alleen hun gestelde doelen weten te behalen, maar ook vaak beter scoren op de traditionele opbrengsten van het onderwijs. Het Elsevier onderzoek ‘Beste Scholen in Nederland’ laat dit ook zien. Dit jaar zijn 38 van de 50 ‘superscholen’ christelijk, en maar vier scholen openbaar.

Discussie in de Kamer
In de Tweede Kamer leeft de discussie over bijzonder onderwijs al sinds de Pacificatie van 1917. Ook nu laait de discussie over bijzonder onderwijs op, dit keer naar aanleiding van de problemen bij het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam.

Klaas Dijkhof (VVD) schreef dit weekend in een discussiestuk over de koers van de VVD over bijzonder onderwijs. Hij zegt dat wanneer bijzonder onderwijs leidt tot ongewenste neveneffecten, die in strijd zijn met waarden als vrijheid en gelijkwaardigheid, het bijzonder onderwijs moet stoppen. Hiermee stuit hij tegen het gevoelig been van coalitiepartijen ChristenUnie en CDA. Gert-Jan Segers (CU) vindt dat als Dijkhoff de vrijheid van onderwijs wil inperken om radicalisme tegen te gaan, hij ruzie zoekt met de verkeerde mensen. Ook Martijn van Helvert (CDA) is kritisch. Hij zegt op Twitter dat Dijkhoff niet durft te zeggen dat hij radicale moslimscholen wil aanpakken en pakt om deze reden ook christelijke scholen aan.

De discussie over bijzonder onderwijs is een nieuw pad ingeslagen. Verschillende partijen uit de Tweede Kamer zijn kritisch over de inhoud van het onderwijs op sommige bijzondere scholen. Dit leidt ertoe dat financiering voor alle bijzondere scholen opnieuw in twijfel wordt getrokken. Met name christelijke partijen zijn fel tegen de aantasting van artikel 23 van de grondwet.

Weetje van de week: Het debat over de eindtoets

Vorige week bogen de leerlingen van groep 8 zich over de landelijke eindtoets. Een spannend moment voor de scholieren, gezien de invloed die de uitslag heeft op het schooladvies dat de kinderen krijgen. Deze eindtoets, vroeger de “Citotoets”, is niet alleen voor de achtstegroepers een belangrijk onderwerp. De laatste jaren is er veel over geschreven en was de toets vaak onderwerp van debat in de Nederlandse politiek. Wat moet zwaarder wegen: het resultaat van de eindtoets of de persoonlijke ervaring en het oordeel van de docent? Deze week een inkijk in dit veranderlijke debat en de rol van Cito in de eindtoets van groep 8.

Concurrentie op de toetsenmarkt
Veel mensen zullen de eindtoets van groep 8 kennen onder de naam “Citotoets”. Deze term wordt dan ook nog soms ten onrechte in het debat en de media gebruikt als aanduiding voor de eindtoets. Cito had tot 2015 bij wet het alleenrecht op het maken van de eindtoetsen voor basisscholen, gefinancierd door de overheid. In 2015 komt er een einde aan dit monopolie. De Tweede Kamer besluit dat eindtoetsen ook door andere partijen mogen worden ontwikkeld en ingezet, mits er wordt voldaan aan vastgestelde criteria.

Basisscholen maken sinds 2015 flink gebruik van deze keuzevrijheid, blijkt uit de cijfers. Cito verliest in hoog tempo marktaandeel (nu nog 49%). Alternatieve aanbieders zoals IEP (30%) en Route 8 (16%) zijn de meest populaire alternatieven bij basisscholen. Deze alternatieven hebben gezorgd voor de komst van digitale toetsen (Route 8) en “adaptieve vragen”. Hierbij worden de vragen aangepast naar niveau op basis van eerder gegeven antwoorden.

Politieke veranderingen
Intussen debatteert de politiek al jaren over het gewicht dat de eindtoets -ongeacht de maker van die toets- moet hebben op het uiteindelijke schooladvies en het moment van toetsing.

Sinds 2015 wordt het middelbare schooladvies door docenten afgegeven vóórdat de eindtoets heeft plaatsgevonden. Dit is destijds door Staatssecretaris Dekker ingevoerd met het idee dat het oordeel van de docent het zwaarst moet wegen. Hij of zij heeft immers een beeld van de leerling over het hele jaar en de toets (momentopname) zou dan slechts een bevestiging van het gegeven advies moeten (of hoeven) zijn. In 2016 kwam er een toevoeging op dit beleid: mochten de resultaten van de eindtoets aanzienlijk hoger zijn dan het gegeven advies, dan is een aanpassing mogelijk. Echter blijkt uit onderzoek dat vooral mondige ouders, met een hoger opleidingsniveau, de toetsresultaten aangrijpen om de docent tot een ander oordeel te brengen. Om deze reden wil het kabinet in 2019 een nieuwe aanpassing doen: het advies moet weer ná de eindtoets worden gegeven. Hiermee wordt de eindtoets meegenomen in het advies bij elke leerling. Zo zou de ongelijkheid op basis van sociaal milieu weer af moeten nemen.

De regeringspartijen zijn hierin van mening veranderd sinds de uitslagen van deze onderzoeken. Toch wil D66-Kamerlid Van Meenen dat het beleid niet wordt teruggedraaid: de eindtoets moet blijven plaatsvinden in april (niet in februari, zoals voor 2015), zodat het laatste basisschooljaar goed benut blijft. PVV’er Beertema spreekt van een draai door de coalitiepartijen. Hij stelt dat leraren die de uitslag van de eindtoets bij hun oordeel kunnen betrekken een beter verhaal en minder gedoe met ouders hebben.

De beste meetlat: toets of docent?
De Universiteit Utrecht heeft onderzoek gedaan naar het advies van basisschooldocenten, de eindtoetsscores en het schoolniveau van leerlingen na drie middelbare schooljaren. Hieruit blijkt dat het advies van de docent voor 75% van de leerlingen overeenkomt (of overlappend is) met het behaalde resultaat van de eindtoets. Bij 12,1% kreeg de docent gelijk in het advies, bij 7,6 procent kreeg de toets dat. Het is echter moeilijk hier een conclusie aan te verbinden. Niet alleen liggen de getallen dicht bij elkaar, ook verschillen de verhoudingen per adviesniveau. Tevens stellen de onderzoekers dat rekening moet worden gehouden met een selffulfilling prophecy: scholieren kunnen beïnvloed worden in hun handelen door het gegeven advies.

Het debat over de eindtoets van groep 8 is nog niet ten einde. Het experiment van het advies vóór de toets is bij de Tweede Kamer niet bevallen, maar meningsverschillen blijven bestaan over de juiste uitvoering. Onderzoek wijst uit dat je strikt genomen nooit kan zeggen wie er écht gelijk heeft, waardoor ook in de toekomst de vorm, de tijd en de legitimiteit van de eindtoets ter discussie zal blijven staan.

 

Vacature: Stage public affairs

Dröge & van Drimmelen is een adviesbureau op het gebied van public affairs en corporate communicatie. Daarbij helpen we overheden, bedrijfsleven en belangenorganisaties bij het versterken en zichtbaar maken van hun positie rond maatschappelijke vraagstukken. Zo werken we onder meer voor Google, gemeente Den Haag, Nederland Schoon, felyx, Achmea, VSNU, Coca-Cola, NBTC, Netflix en Retail platform Nederland. Ons vak gaat over het leggen en onderhouden van relaties. Daarbij zijn vertrouwen, transparantie en betrokkenheid onze sleutelwoorden. De kracht van het bureau komt voort uit de kwaliteit van onze medewerkers, die zelf maatschappelijk actief zijn en constant op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen in het vak en de wereld om hen heen.

Dröge & van Drimmelen is op zoek naar een stagiair(e) voor de periode september 2019 tot en met januari 2020. Deze vacature betreft een stageplek voor 5 dagen per week. Gedurende de stage ontvang je een stagevergoeding van €300,00 per maand. Daarnaast worden eventuele reiskosten vergoed. De stagiair werkt vanuit ons kantoor in Den Haag.

Profiel

  • Volgen van een WO-opleiding, bij voorkeur in de laatste fase van de bachelor of master;
  • Aantoonbare kennis van politiek, instituties en besluitvormingsprocessen;
  • Hoge mate van interesse in politieke en maatschappelijke kwesties;
  • Oog voor kwaliteit, uitstekende mondelinge en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheden;
  • Goede communicatieve vaardigheden, initiatiefrijk en enthousiast;
  • Zowel zelfstandig als in een team goed kunnen functioneren.

Werkzaamheden
De stagiair public affairs en informatiemanagement ondersteunt gedurende de stageperiode de adviseurs bij hun dagelijkse werkzaamheden. Hij/zij houdt zich daarnaast bezig met het monitoren van politieke debatten, kranten, internet en andere media. Ook werkt de stagiair mee aan ons digitale informatiesysteem ‘Haagse Kennis’. Tijdens de stage wordt de stagiair begeleid door een van onze adviseurs.

Meer weten en/of solliciteren
Sollicitaties, inclusief motivatiebrief en actueel CV, kunnen worden gericht aan Sander van Diepen via s.van.diepen@dr2.nl. De deadline voor het solliciteren is woensdag 15 mei om 09.00 uur, maar een snellere reactie wordt gewaardeerd. Sollicitatiegesprekken vinden spoedig daarna plaats.

Weetje van de week: Het ‘Wobben’ van telefoonberichten

“Sms’jes en WhatsAppberichten op zakelijke én privételefoons zijn te ‘wobben’”, dat concludeerde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak in de zaak tussen Branchebelang Thuiszorg Nederland (BTN) en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Deze uitspraak van 20 maart 2019 en bevestigt dat sms’jes en WhatsAppberichten onder de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) vallen. Het gevolg hiervan is dat telefoonberichtjes nu dezelfde status hebben als e-mails en memo’s en dat deze berichten door bijvoorbeeld journalisten kunnen worden opgevraagd.

Dit betekent niet dat zomaar alle berichten van ambtenaren via een Wob-verzoek verkregen kunnen worden. Zo vallen berichten alleen onder de Wob als ze zijn verstuurd of ontvangen in relatie tot het werk (‘bestuurlijke aangelegenheid’). Daarnaast kan het bestuursorgaan openbaarmaking in sommige gevallen weigeren, bijvoorbeeld wanneer de privacy van betrokken personen wordt geschonden of wanneer de berichten ‘persoonlijke beleidsopvattingen’ bevatten. Met name dit laatste weigeringsinstrument is lastig om objectief te bepalen.

Wet openbaarheid bestuur
De Wet openbaarheid van bestuur is in 1980 ingevoerd en zorgt ervoor dat iedereen inzage kan hebben in het handelen van de overheid. In principe geeft de overheid zelf informatie over beleid en uitvoering, maar iedereen – ook niet-Nederlanders – die meer wil weten over bijvoorbeeld de totstandkoming van een bepaald besluit, kan een Wob-verzoek indienen. Dit kan alleen bij een organisatie die onder Wob valt, waarbij het van belang is dat de informatie ergens moet zijn vastgelegd. De recente uitspraak van de Raad van State heeft belangrijke gevolgen voor de toepassing van de wet. Het maakt bijvoorbeeld niet uit op welk apparaat de werkgerelateerde communicatie staat: informatie op zowel privé als zakelijke telefoons moet worden vrijgegeven. De reden hier achter is dat de wet anders ontlopen kan worden door de keuze van het apparaat waarop de berichten staan.

Dividendbelasting-sms’je en de ‘Shell Papers’
Op 24 november 2018 gaf Unilever CEO Paul Polman in een interview toe dat er sms-contact was geweest tussen hem en premier Rutte. Het ministerie van Algemene Zaken weigerde toentertijd om te handelen naar de eerdere uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van november 2017, die concludeerde dat sms- en Whatsapp-berichten onder de Wob vallen. Op dat moment onderkende het ministerie de uitspraak wel, maar handelde er niet naar in afwachting van het hoger beroep bij de Raad van State. Nu deze uitspraak er is gekomen en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland bevestigd, kan dit sms-verkeer alsnog met een Wob-verzoek op worden gevraagd.

Recentelijk (20 maart jl.) heeft columnist Berend Sommer dit geprobeerd, maar het ministerie van Algemene Zaken gaat eerst bestuderen of de uitspraak van de Raad ook daadwerkelijk van toepassing is op dit specifieke sms’je. Interessant in de communicatie tussen Sommer en het ministerie is dat Algemene Zaken in eerste instantie het sms-bericht gelijkstelde aan telefonisch contact en dat dergelijke berichten naar inhoud over het algemeen persoonlijk van aard en privé zijn. Maar de vraag is of dit sms’je heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van het beleid (de dividendbelasting werd niet afgeschaft), en of dit bericht daarmee privé te noemen is. Vooralsnog blijft het op dit moment gissen naar de precieze inhoud.

Shell Wob-verzoek
Op 12 april jl. is Platform Authentieke Journalistiek (PAJ) bij zeventien overheidsinstanties een Wob-procedure gestart om documenten te achterhalen omtrent Shell. De organisatie wil er achter komen wat de invloed van Shell is op het Nederlandse beleid en gaat er waarschijnlijk alles aan doen om de overheidsinstellingen te dwingen informatie te verschaffen. Onder dit Wob-verzoek vallen sms’jes en Whatsapp-berichten, vanaf 2005. Het PAJ houdt tegelijkertijd een dashboard bij waarop iedereen kan meekijken en waar direct alle verstrekte documenten op worden gepubliceerd.

Naar alle waarschijnlijkheid gaat hier ook de discussie ontstaan over wat onder ‘persoonlijke beleidsopvattingen’ valt en is het laatste woord over dit grootse Wob-verzoek nog niet gesproken.

Vacature: Adviseur public affairs 

Dröge & van Drimmelen is een adviesbureau op het gebied van public affairs en corporate communicatie. Plezier in ons werk, betrokkenheid, enthousiasme en vertrouwen in elkaar vinden wij belangrijk. De kracht van het bureau berust op kwaliteit van medewerkers, die zelf maatschappelijk actief zijn en constant op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen in het vak en de wereld om hen heen. Onze adviseurs weten hoe de politiek- en bestuurlijke processen werken. Wij helpen de opdrachtgever bij het kernachtig formuleren van een boodschap, adviseren hoe deze strategisch ingezet kan worden en bijdraagt aan duurzame relaties. Wij hebben vestigingen in Den Haag, Brussel en Shanghai. 

Dröge & van Drimmelen groeit, en is daarom op zoek naar een enthousiaste, intelligente en energieke:

Adviseur public affairs 

Als adviseur public affairs draag je bij aan het strategisch adviseren van onze opdrachtgevers. Dit kan onder andere in de vorm van een strategische sessie met bestuurders binnen een overheidsorganisatie, door het opstellen van een strategisch public affairs plan voor de raad van bestuur van een multinational of in een gesprek met de public affairs adviseur van een brancheorganisatie. De adviseur onderhoudt het contact met de opdrachtgever, rapporteert aan en overlegt met de senior adviseur en begeleidt de junior adviseur/stagiair bij het uitvoeren van een opdracht. De adviseur is in staat om in maatschappelijke en politieke ontwikkelingen kansen te signaleren voor bestaande opdrachtgevers. 

Dröge & van Drimmelen is onder andere werkzaam binnen de sectoren ICT, zorg, energie, circulaire economie, financiën en infrastructuur. Van de adviseur wordt verwacht een waardevolle bijdrage te kunnen leveren aan één of meerdere van deze sectoren. Wij vragen van onze nieuwe collega het volgende: 

  • Je hebt een afgeronde masteropleiding. 
  • Je hebt minimaal 2 jaar relevante ervaring binnen het vakgebied;  
  • Je kent de ‘weg’ in Den Haag en je hebt hier een netwerk opgebouwd; 
  • Je bent maatschappelijk betrokken, wat bijvoorbeeld blijkt uit enige ervaring als bestuurslid van een studie/studentenvereniging of maatschappelijke organisatie zoals een politieke partij, een sportvereniging of een goed doel; 
  • Je bent creatief en flexibel, staat open voor nieuwe ervaringen, maar wij kunnen ook wat van jou leren;  
  • Je hebt hoge mate van stressbestendigheid, kan werken in verschillende opdrachten met overlappende deadlines; 
  • Je hebt een brede interesse, bent scherp & analytisch en een harde werker; 
  • Je bent representatief en servicegericht, zowel naar opdrachtgevers als naar collega’s; 
  • Je beschikt over uitstekende mondelinge en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid; 
  • Je kunt zowel in een team als zelfstandig functioneren. 

Wij bieden een dynamische werkomgeving in het hartje van Den Haag, professionele collega’s, een goed salaris en ruime mogelijkheden voor persoonlijke ontplooiing. 

Wanneer je belangstelling hebt voor deze functie, stuur dan een motivatie per e-mail en een actueel CV naar Gina Versteegen via g.versteegen@dr2.nl. Neem voor meer informatie contact op met Audrey Keukens via telefoonnummer (070) 3920212. 

Weetje van de week: Kledingkeuze als politiek statement

Er bestaan geen officiële kledingvoorschriften voor Kamerleden in de Tweede Kamer, desondanks is het wel regelmatig onderwerp van gesprek. Wat zijn de ongeschreven regels over kleding van Kamerleden en in hoeverre houdt men zich aan de regels? Op welk moment wordt kleding omgezet in een politiek statement?

Historie
Voor de Tweede Wereldoorlog zag ieder Kamerlid er hetzelfde uit: het ambtskostuum dat ze verplicht waren aan te schaffen kostte omgerekend 30.000 euro. Het ambtskostuum bestond uit een donkerblauwe rok met goudkleurige borduursels. Bij officiële gelegenheden werd daarbij ook een steek en degen gedragen. Na de Tweede Wereldoorlog raakte het ambtskostuum in onbruik en mochten Kamerleden in eigen kleding naar de Kamer. Oud Kamervoorzitter Gerdi Verbeet noemde de kledingstijlen van 21e -eeuwse Kamerleden ‘van camping tot balzaal’. Met de komst van kleding naar eigen voorkeur ontstond ook de communicatie door middel van kleding.

Kleding in de huidige Tweede Kamer
Kamervoorzitter Khadija Arib laat zich regelmatig een “moederlijke verzuchting” ontlokken, schrijft de Volkskrant vorig jaar april. Bijvoorbeeld toen SP Kamerlid Peter Kwint in een T-shirt in de Kamer verscheen of toen CDA-Kamerlid René Peters zijn medewerker een colbertje moest laten halen. Ook FvD voorman Baudet bekritiseerde al eens de stijl van Kwint. De SP’er zou als onderwijswoordvoerder ‘een merkwaardig’ signaal afgeven door zich systematisch als een lid van een jeugdbende te kleden’.

Naast dat kleding in de Kamer informeler lijkt te worden, wijst de NOS erop dat het ook een politiek statement kan zijn. Kleding kan een ondersteuning vormen voor politieke opvattingen. Zo wijkt Mark Rutte niet vaak af van zijn klassieke concept van een donker pak en blauwe das. Het donkerblauw pak sluit goed aan bij zijn wens om ingetogen gekleed te gaan. Hiermee creëer je de uitstraling van een voorspelbaar en betrouwbaar politicus. Groen Links Kamerlid Jesse Klaver stroopt buiten de Kamer geregeld zijn mouwen op. Hij lijkt de boodschap van een jonge, frisse lijsttrekker die weet van aanpakken te willen uitstralen. SGP-Kamerleden dragen op hun beurt regelmatig een oranje das om hun koningsgezindheid uit te dragen.

Kleding als politiek statement
Carla Dik-Faber droeg tijdens Prinsjesdag 2015 een jurk van oude treinstoelbekleding om aandacht te vragen voor gerecycled materiaal en duurzaam openbaar vervoer. Prinsjesdag is een dag die vaker wordt gebruikt voor het letterlijke (uit)dragen van politieke opvattingen. Zo droeg oud-Kamerlid Krista van Velzen ooit een anti-bontmuts en protesteerde Attje Kuiken tegen kunstbezuinigingen door het schilderij ‘Lezend Naakt’ van Isaac Israëls in haar hoed te verwerken. Marianne Thieme droeg vorig jaar een jurk met de tekst ‘Powerplant’ en een rok met alle namen van veganistische en vegetarische vleesproducten. Esther Ouwehand droeg een rode jurk met witte kruisjes, deze 1200 kruisjes stonden voor de 1200 dieren die per minuut geslacht worden in Nederland. ‘Kijk niet weg, maar laat tot je doordringen wat we dieren aandoen.’ Schreef ze op haar twitter over de jurk.

Het is duidelijk dat een politicus een signaal afgeeft met de outfit die hij draagt. Het betrouwbare pak van Rutte, de casual look van Kwint, de opgestroopte mouwen van Klaver en de activistische hoed van Kuiken zijn hier slechts enkele voorbeelden van. Ingetogen of activistisch brengt kleding een boodschap met zich mee, óf weet iemand anders dan de drager er wel een boodschap aan te verbinden.

Weetje van de week: Politieke Cartoons

Naar aanleiding van de overwinning voor Forum voor Democratie bij de Provinciale Statenverkiezingen verschenen er in de Nederlandse kranten een aantal politieke cartoons die veel discussie losmaakten. De in de NRC verschenen cartoon van Ruben Oppenheimer was daar één van. Op deze tekening wordt Thierry Baudet afgebeeld in een bruin uniform terwijl een wereldbol, met Nederland centraal, op zijn vinger balanceert. De cartoon verwijst naar een bekende scene in de film “The Great Dictator” met Charlie Chaplin. Oppenheimer verklaarde zelf over de vergelijking: “Iedereen krijgt een tik om de oren van mij, links of rechts. Maar als een politicus teksten gebruikt als ‘naar het front geroepen’ en openlijk flirt met ideeën die eerder bruin dan groen zijn, dan teken ik zulke illustraties.”

Naast felle reacties op de cartoon ontstond een discussie over de mate van verantwoordelijkheid van de cartoonist en de krant op de beeldvorming van het publiek. Onder de cartoon van Oppenheimer werd zelfs een reactie geplaatst met een oproep tot geweld jegens Baudet. De cartoonist deed aangifte naar de persoon achter de reactie en stelde dat zijn werk niet misbruikt moet worden voor geweldspropaganda. Deze week een kijkje naar de geschiedenis en de rol van cartoons op het publieke debat.

Spotprenten en karikaturen
Hoewel het woord “cartoon” als een relatief modern Engels leenwoord klinkt, werd deze term al sinds 1900 in de Nederlandse kranten gebruikt. Het Nederlandse equivalent, de “spotprent”, komt al sinds de 18e eeuw veelvuldig voor in documenten. Ook het woord “karikatuur” is in de documentatie terug te vinden. Echter stamt de oudste gedocumenteerde Nederlandse spotprent zelfs uit de tijd van de 80-jarige oorlog. Op deze prent is de hertog van Alva afgebeeld die door de duivel twee kronen aangeboden krijgt, wat staat voor de geestelijke en wereldlijke macht. Voor hem knielen 17 vrouwen, staande voor de Provinciën van de Nederlanden en op de achtergrond wordt verwezen naar het repressieve optreden van de hertog.

Uit het onderzoek naar eigen collectie stelt het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis dat de politieke prenten en cartoons tal van onderwerpen hebben die in de media spelen; van het weer tot een uitgebroken oorlog. Het voordeel van de spotprent is de dubbele bodem die de tekenaar mee kan geven. Het geeft de mogelijkheid om regimes of machthebbers te bekritiseren op een minder makkelijk aantoonbare wijze. Tegenover de vrijheid van expressie lijkt de woede en ophef te staan die prenten veelvuldig met zich meebrengen. Het beeld kan harder aankomen dan woorden, waarmee mensen sneller aangevallen lijken te door een provocerende of choquerende cartoon.

Aanleiding voor woede
In 2005 drukte het Deense dagblad Jyllands-Posten cartoons af over de Islamitische profeet Mohammed wat leidde tot grote verontwaardiging en woede in de Islamitische wereld. Ook onder niet-moslims klonk het geluid dat de cartoons te provocerend waren, maar er was ook veel bijval voor de tekenaar met het oog op de vrijheid van meningsuiting. In 2015 waren de Mohammed-cartoons uit het tijdschrift Charlie Hebdo zelfs tot geweld, in de vorm van de terroristische aanslag op het kantoor van het blad in Parijs. Met de slagzin “Je suis Charlie” werd er over de hele wereld steun betuigd op sociale media en werd het belang van vrijheid van meningsuiting benadrukt.

Aanzet tot debat
Politieke cartoons schudden het politieke debat regelmatig op. Ongeacht de al dan niet positieve reactie van de lezer brengen spraakmakende of provocerende cartoons een onderwerp in het maatschappelijk debat. Onderzoek wijst echter uit, dat politieke cartoons lang niet altijd begrepen worden naar de intentie van de tekenaar. Door het rechtzetten van zo’n verkeerde associatie, het verduidelijken van de bedoeling en afstand doen van de gevolgen was de manier hoe Ruben Oppenheimer hiermee omging. Opinies over de cartoon en het onderwerp blijven bestaan in het debat. De interpretatie en reacties die men hieraan onttrekt, kijkend naar het voorbeeld van Oppenheimer, blijven wellicht de keuze van de lezer.

Weetje van de week: Waterschappen

Naast alle ophef over de Provinciale Statenverkiezingen, vonden op woensdag 20 maart ook de Waterschapsverkiezingen plaats. In Nederland zijn in totaal 21 waterschappen, allemaal met een algemeen bestuur. De bewoners van een beheersgebied van het waterschap konden stemmen voor de leden van dit algemeen bestuur. De opkomst van de Waterschapsverkiezingen is doorgaans laag; in 2015 stemde 43,5%. Over het algemeen wordt de lage opkomst toegeschreven aan het feit dat burgers niet precies weten wat het waterschap allemaal doet. Dus vandaar de vraag: waarom bestaan de waterschappen eigenlijk?

Oudste bestuurslaag
De waterschappen zijn de oudste bestuurslaag van Nederland: in 1255 werd het eerste officiële waterschap ingesteld. In zekere zin vormen de waterschappen de basis van het poldermodel: van oudsher hebben waterschappen de taak namens de bewoners van een bepaald gebied de waterhuishouding te regelen. Sinds de grondwet van 1848 is de taak van waterbeheer bij de waterschappen neergelegd. Dit is onder andere om te voorkomen dat gemeenten wateroverlast oplossen met maatregelen die de overlast naar buurgemeenten verplaatsten. Tegelijkertijd zijn de waterschappen een relatief effectief bestuursorgaan: in de periode 1960 tot 2009 zijn in de huidige EU-lidstaten ongeveer 5.000 mensen omgekomen bij overstromingen. In Nederland zijn er in dezelfde periode geen overledenen door overstromingen, ondanks dat ons land voor een kwart onder zeeniveau ligt.

Beslissingen
De taken van de waterschappen bestaan onder andere uit de waterkeringszorg, het waterkwantiteitsbeheer en het waterkwaliteitsbeheer. Daarnaast kunnen om redenen van doelmatigheid ook andere taken aan het waterschap worden toevertrouwd, zoals wegenbeheer en vaarwegenbeheer. Dit betekent concreet dat ze beslissen over recreatie op en om het water, over afvalwater, over de zuivering van water en over bescherming tegen het water. Deze taken zijn natuurlijk niet per se politieke hangijzers om kort en snel op te scoren. Maar doordat de waterschappen zelfstandig belasting heffen staat de financiering nagenoeg los van het politieke klimaat in Den Haag. Ze worden niet periodiek door bezuinigingen getroffen die tot pijnlijke keuzes dwingen. Daarom hebben ze de potentie om doelmatig te werken, met een langetermijnvisie.

Verkiezingen
Dat het waterschapsbestuur populair is bij sommigen blijkt uit een situatie uit 2004, waarbij de Amsterdammer Hans Bremer zich in veertien waterschappen kandidaat stelde. Uiteindelijk kwam dit aan het licht en is hij veroordeeld voor het vervalsen van vereiste handtekeningen. Bremer heeft het dit jaar weer geprobeerd: hij deed mee aan de verkiezingen met de partij Forum Duurzaam Effectief Waterschap.

De uitslagen van de afgelopen Waterschapsverkiezingen druppelen langzaamaan binnen en het lijkt erop dat Water Natuurlijk ook deze verkiezingen, net als vier jaar geleden, weer als grootste uit de bus komt. De officiële uitslag zal komende maandag bekend worden gemaakt. De opkomst bij deze verkiezingen was in ieder geval hoger dan vier jaar geleden: 50,5%. Hans Bremer lijkt volgens de voorlopige uitslag geen zetel te krijgen.