Categorie archieven: Nieuws

Weetje van de week: Waterschappen

Naast alle ophef over de Provinciale Statenverkiezingen, vonden op woensdag 20 maart ook de Waterschapsverkiezingen plaats. In Nederland zijn in totaal 21 waterschappen, allemaal met een algemeen bestuur. De bewoners van een beheersgebied van het waterschap konden stemmen voor de leden van dit algemeen bestuur. De opkomst van de Waterschapsverkiezingen is doorgaans laag; in 2015 stemde 43,5%. Over het algemeen wordt de lage opkomst toegeschreven aan het feit dat burgers niet precies weten wat het waterschap allemaal doet. Dus vandaar de vraag: waarom bestaan de waterschappen eigenlijk?

Oudste bestuurslaag
De waterschappen zijn de oudste bestuurslaag van Nederland: in 1255 werd het eerste officiële waterschap ingesteld. In zekere zin vormen de waterschappen de basis van het poldermodel: van oudsher hebben waterschappen de taak namens de bewoners van een bepaald gebied de waterhuishouding te regelen. Sinds de grondwet van 1848 is de taak van waterbeheer bij de waterschappen neergelegd. Dit is onder andere om te voorkomen dat gemeenten wateroverlast oplossen met maatregelen die de overlast naar buurgemeenten verplaatsten. Tegelijkertijd zijn de waterschappen een relatief effectief bestuursorgaan: in de periode 1960 tot 2009 zijn in de huidige EU-lidstaten ongeveer 5.000 mensen omgekomen bij overstromingen. In Nederland zijn er in dezelfde periode geen overledenen door overstromingen, ondanks dat ons land voor een kwart onder zeeniveau ligt.

Beslissingen
De taken van de waterschappen bestaan onder andere uit de waterkeringszorg, het waterkwantiteitsbeheer en het waterkwaliteitsbeheer. Daarnaast kunnen om redenen van doelmatigheid ook andere taken aan het waterschap worden toevertrouwd, zoals wegenbeheer en vaarwegenbeheer. Dit betekent concreet dat ze beslissen over recreatie op en om het water, over afvalwater, over de zuivering van water en over bescherming tegen het water. Deze taken zijn natuurlijk niet per se politieke hangijzers om kort en snel op te scoren. Maar doordat de waterschappen zelfstandig belasting heffen staat de financiering nagenoeg los van het politieke klimaat in Den Haag. Ze worden niet periodiek door bezuinigingen getroffen die tot pijnlijke keuzes dwingen. Daarom hebben ze de potentie om doelmatig te werken, met een langetermijnvisie.

Verkiezingen
Dat het waterschapsbestuur populair is bij sommigen blijkt uit een situatie uit 2004, waarbij de Amsterdammer Hans Bremer zich in veertien waterschappen kandidaat stelde. Uiteindelijk kwam dit aan het licht en is hij veroordeeld voor het vervalsen van vereiste handtekeningen. Bremer heeft het dit jaar weer geprobeerd: hij deed mee aan de verkiezingen met de partij Forum Duurzaam Effectief Waterschap.

De uitslagen van de afgelopen Waterschapsverkiezingen druppelen langzaamaan binnen en het lijkt erop dat Water Natuurlijk ook deze verkiezingen, net als vier jaar geleden, weer als grootste uit de bus komt. De officiële uitslag zal komende maandag bekend worden gemaakt. De opkomst bij deze verkiezingen was in ieder geval hoger dan vier jaar geleden: 50,5%. Hans Bremer lijkt volgens de voorlopige uitslag geen zetel te krijgen.

 

Roeland Coomans partner bij Dröge & van Drimmelen

Roeland Coomans (1986) is vandaag als partner/aandeelhouder toegetreden tot adviesbureau Dröge & van Drimmelen. Coomans heeft zich de afgelopen jaren veelvuldig beziggehouden met vraagstukken omtrent digitalisering van economie, maatschappij en overheid. Met Roeland Coomans versterkt Dröge & van Drimmelen haar positie in de technologische sector.

Coomans beschikt over veel ervaring op het snijvlak van informatie- en communicatietechnologie en beleidsadvisering. Als senior adviseur werkte hij onder andere voor klanten als SYSQA, SURF en Solvinity. Momenteel is Roeland Coomans gedetacheerd bij Google als politiek analist en senior adviseur Public Affairs.

Voordat Coomans in 2015 begon bij Dröge & van Drimmelen volgde hij een master informatiemanagement bij PBLQ. Vanuit hier werd hij onder andere gedetacheerd bij Logius, het ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het ministerie van Justitie en Veiligheid. Zijn kennis van ICT gecombineerd met zijn passie voor politiek brachten hem uiteindelijk bij Dröge & van Drimmelen.

Weetje van de week: Nationale Week Zonder Vlees

Deze week vindt voor de tweede keer de Nationale Week Zonder Vlees plaats. Van 11 tot 17 maart kan iedereen die dat wil meedoen met een week geen vlees eten. Daarmee wordt stil gestaan bij het effect dat vlees eten heeft op mens, dier en milieu. Het initiatief is opgezet door Isabel Boerdam, maar ondertussen een breed gedragen fenomeen door verschillende bedrijven binnen de voedselindustrie. Als je als volwassene een week geen vlees eet bespaar je  gemiddeld 770 gram dierenvlees en daarmee 130 liter water. ‘In 2030 eet Nederland méér plantaardig, een dagje zonder vlees wordt dan de nieuwe standaard’ aldus Boerdam. In Nederland eet ongeveer 4 procent vegetarisch, een getal dat nauwelijks groeit. Daarom is het juist belangrijk om te focussen op flexitariërs zegt Boerdam in NRC.

Aanpassing van het dieet
Uit het EAT-Lancet-rapport dat vorige maand werd gepubliceerd in het medische tijdschrift The Lancet, bleek dat ons dieet drastisch moet veranderen. Minder suiker, minder vet en zuivel, maar vooral minder vlees. ‘Alleen dan zullen we erin slagen de aarde leefbaar te houden en in 2050 tien miljard wereldbewoners van voldoende gezond en duurzaam voedsel te voorzien.’ schrijft de Volkskrant. Tegelijkertijd klinken ook andere geluiden. In de Telegraaf komt Frédéric Leroy, voedingsprofessor aan de Vrije Universiteit Brussel aan het woord. Hij vindt dat er opgepast moet worden met vlees stigmatiseren als ‘slecht’. Hij waarschuwt dat wanneer men vlees afwijst zonder kennis van essentiële voedingsstoffen, er risico wordt gelopen door onder andere een tekort aan essentiële nutriënten.

Is een gesprek nog mogelijk?
De discussie tussen de voor- en tegenstanders van het eten van vlees kan soms hoog oplopen. De Volkskrant vraagt zich af of een goed gesprek nog wel mogelijk is omdat het praten over vlees algauw spanningen oplevert. „Het is niet leuk als iemand je het gevoel geeft dat je iets verkeerds doet.” De normalisering van het vegetarisch eten leidt misschien ook wel tot een fellere tegenreactie. Voorbeeld hiervan is de Twitter-campagne #boerenhoudenvandieren. De aanleiding voor deze campagne was het grote aantal inbraken en bedreigingen gericht op boeren. Door middel van de hashtag werd geprobeerd de vee-industrie in een beter daglicht te zetten.

Meatless monday
Binnen de Tweede Kamer is er ook aandacht voor de Nationale Week Zonder Vlees, onder andere door de Partij voor de Dieren (PvdD). Op 20 februari stelde Esther Ouwehand (PvdD) vragen aan Carola Schouten, minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) over de Nationale Week zonder Vlees. Haar werd gevraagd of het ministerie van LNV ook dit jaar bereid was een twitterbericht te versturen met de oproep om mee te doen aan de Nationale Week Zonder Vlees. Dit weigerde zij, evenals het verzoek om bij alle overheidscatering standaard geen vlees meer aan te bieden. Minister Schouten gaf aan dat het kabinet van mening is dat dit te veel inbreuk is op de vrijheid van mensen om zelf te kunnen kiezen wat ze willen eten.

Desondanks deelt het kabinet de analyse van de Raad van de Leefomgeving en Infrastructuur (RLI), dat consumptie van dierlijke producten bijdraagt aan de uitstoot van broeikasgassen en emissies. Maar de Week zonder Vlees is een particulier initiatief waar de overheid geen rol in heeft. Bij catering binnen het Rijk zijn wel steeds meer plantaardige producten verkrijgbaar en een aantal ministeries introduceerde ‘meatless monday’ of ‘duurzame donderdag’. Een aantal cateraars binnen de ministeries ondersteunen de Nationale Week Zonder Vlees door alleen maar vegetarische gerechten aan te bieden of de nadruk te leggen op het vegetarische aanbod.

De aandacht voor de Nationale Week Zonder Vlees lijkt zijn vruchten wel af te werpen. Uit een enquête onder de 32.000 deelnemers van afgelopen jaar bleek dat bijna de helft na een half jaar nog steeds minder vlees at.

Weetje van de week: Campagneretoriek

Op 20 maart vinden de verkiezingen voor de Provinciale Staten en de Waterschappen plaats. Het RTL debat op 7 maart is de officieuze campagneaftrap waarbij vooral de landelijke fractievoorzitters zich graag presenteren. Niet alleen om hun provinciale kandidaten te steunen, maar vooral met het belang van de Eerste Kamerzetels in het achterhoofd. Nu de verkiezingsdag dichterbij komt veranderen de voorstellen, de aanvallen en taal van politici om zich extra te profileren.

Slogans, mediatermen en “zeggen waar het op staat”
Een van de vormen van campagneretoriek die al decennia goed werkt zijn de taalvondsten op posters of folders van de politieke partijen. Zo zijn veel mensen nog bekend met de slogan “PSP, ontwapenend” onder de iconische foto van een naakte vrouw in een weiland. Iets recenter, de slagzin van Rita Verdonk voor de lijsttrekkersverkiezing van de VVD: “Ik ben niet links, ik ben niet rechts, ik ben rechtdoorzee”.

Mediatermen en slagzinnen die door partijen blijvend worden herhaald doen het in de campagne van 2019 ook goed. Zo voert het CDA al een aantal weken de zin “Een hele goede morgen!” aan op alle sociale kanalen. Ondanks, of dankzij, de ironie waarmee andere politici deze zin blijven gebruiken lijkt de zin steeds meer te blijven hangen. Ook de metafoor van Rutte die Nederland omschrijft al een ”kwetsbaar vaasje” wordt steeds sterker toegeëigend door de VVD. De aftrap van de campagne vond dan ook plaats in een vaasjesfabriek, waar Rutte persoonlijk vaasjes signeerde.

Naast mediatermen en slogans domineren “stoere” uitspraken regelmatig het nieuws. Zo sprak Rutte over “Witte wijn sippende elite in Amsterdam” en het “in elkaar slaan” van mensen die tijdens oud en nieuw hulpverleners mishandelden. Wederom was er veel commotie en verwijt van populisme.

Buiten het regeerakkoord om
Minister Cora van Nieuwenhuizen kreeg zowel uit eigen coalitie als vanuit de oppositie de wind van voren na haar recente uitspraken dat Schiphol mag doorgroeien na 2020. In haar statement bleven de randvoorwaarden van veiligheid en milieu achterwege, wat haar stelligheid benadrukte en bij velen in het verkeerde keelgat schoot. Haar verdediging was een verwijzing naar het regeerakkoord, waarin staat dat Schiphol mag groeien, mits aan voorwaarden wordt voldaan. De coalitiepartners benadrukten direct de mitsen en maren aan de uitspraak. De oppositie duidde het als een VVD politica op campagne, niet als de uitspraken van een minister.

Eerder dit jaar stuitte de coalitie ook al op onenigheid op gebied van het klimaatakkoord en het kinderpardon. D66 en ChristenUnie wisten op een slimme manier het CDA mee te krijgen om in te stemmen met een breder kinderpardon. Een probleem voor de VVD, die van een verruiming geen voorstander is. “We houden ons vast aan het regeerakkoord”, reageerde Klaas Dijkhoff (VVD). Met de wil om het kabinet niet te laten vallen is de VVD uiteindelijk onder voorwaarden overstag gegaan.

Dezelfde Klaas Dijkhoff baarde in diezelfde periode opzien door aan een krant te laten weten niet per definitie alle punten uit klimaatakkoord uit te voeren. Rob Jetten (D66) veroordeelde hij tot de inmiddels bekende term “Klimaatdrammer”. Wederom geen blije coalitiegenoten en een Kamerdebat om de uitspraken, maar weer wist een partij zich door harde taal te onderscheiden.

De kibbelcoalitie
De “stoere uitspraken” die politici uit het kabinet voorafgaand aan de verkiezingstijd doen kunnen daadwerkelijke verandering in werk stellen. Het zijn voor de partijen goede trucjes om media aandacht te krijgen, coalitiegenoten onder druk te zetten of hun standpunt de verduidelijken. Echter leiden er ook genoeg tot een lang durende semantische discussies. Zo stelde Bas Knoop in het Financieel Dagblad (2 februari) dat het verzetten van het klimaatdebat, zodat Dijkhoff aanwezig zou zijn, een schouwspel was. De oppositie was uit op het benadrukken van de verdeeldheid in de coalitie, maar een discussie om de inhoud zat er niet in. Lodewijk Asscher wist uit deze discussie nog een campagneterm te halen door te spreken van een “kibbelcoalitie”. Een schoolvoorbeeld campagneretoriek.

Weetje van de week: Internationale Vrouwendag

Aankomende week, op donderdag 8 maart, is het de Internationale Vrouwendag. Op 9 maart wordt in Amsterdam de Women’s March georganiseerd, die voor het laatst in 2017 plaatsvond. Wereldwijd worden er soortgelijke evenementen georganiseerd, bijvoorbeeld afgelopen januari in Washington D.C. waar duizenden mensen meeliepen. Bij deze demonstraties staan over het algemeen gelijkheid en gelijkwaardige rechten voor vrouwen centraal. De organisatoren van de Women’s March in Amsterdam geven aan dat het dit jaar niet alleen om vrouwen gaat, maar om alle problemen rondom onderdrukking en ongelijkheid. Dit betekent dat er niet alleen gedemonstreerd gaat worden tegen vrouwenongelijkheid, maar tegen alle vormen van discriminatie, racisme en exclusiviteit. Op het Facebook-evenement van deze Women’s March wordt in de discussiesectie door verschillende mensen gevraagd om ook specifiek actie te voeren voor andere onderdrukte individuen en specifieke groeperingen.

Exclusiviteit
Een verbreding van een demonstratie is op het eerste gezicht een mooi initiatief, want zoals de organisatoren schrijven “all oppression is connected.” Toch laat het wel een aantal vragen achter: waarom wordt er bij een mars specifiek voor vrouwen ook aandacht aan andere groepen gegeven? Is het niet effectiever om te focussen op één onderwerp? Zou dit komen doordat een mars voor ‘alleen’ vrouwen te exclusief is? En als dat zo is, waarom is de exclusiviteit van een demonstratie niet vaker een probleem? Bij de klimaatmars van jongeren in februari werd er gedemonstreerd tegen verschillende problemen die met het klimaat te maken hadden. Een van de redenen voor deze mars was dat door de klimaatopwarming de toekomst van de jeugd in gevaar is en dat hier aandacht voor moest komen. Tegelijkertijd werd, bijvoorbeeld, het lerarentekort er niet bij betrokken, ondanks dat dit ook de toekomst van jongeren beïnvloedt. Bij de vrouwenmars lijkt dit echter wel het geval te zijn: andere problematiek, in dit geval in de vorm van andere onderdrukte groepen, moeten ook een plek krijgen bij deze demonstratie.

Vrouwen in de geschiedenis
Historica Els Kloek schreef twee boeken over vrouwen in de geschiedenis. Ze focust zich in haar eerste boek 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis op het integreren van vrouwen in de geschiedschrijving, waarbij ze van mening is dat vrouwen daarvoor eerst apart geplaatst moeten worden. Ondanks een toename van vrouwen in de geschiedschrijving schrijft Kloek: “In de praktijk ging veel aandacht uit naar vrouwenorganisaties en naar vrouwen als groep. Dat kan interessante inzichten opleveren, maar op den duur vond ik die benadering niet bevredigend.” Ondanks dat haar boek een uitgebreide beschrijving van vrouwen in de geschiedenis is, is er ook kritiek op haar selectiviteit en exclusiviteit: het is niet divers genoeg, er is geen rekening gehouden met genderneutraliteit en er zijn niet genoeg ‘gewone’ vrouwen opgenomen. Kloek reageert op deze kritiek in een recent interview met het NRC met een anekdote over een congres dat ze in 1986 met andere vrouwenhistorici organiseerde. Een zwarte actiegroep verstoorde het congres en vonden dat ze ook wat over zwarte vrouwen moest vertellen. Ze verbaasde zich over de reacties van collega’s die zich schuldig voelden en later publieke schuldbekentenissen gaven: “Je kunt het toch wel over vrouwenrechten hebben zonder dat het meteen over racisme en slavernij gaat?” Ook op haar nieuwe boek 1001 vrouwen in de 20ste eeuw is commentaar over het gebrek aan diversiteit: “Er waren mensen die zeiden: er zitten geen Turkse en Marokkaanse vrouwen in. Dat vind ik ook heel jammer, maar het is gewoon niet gelukt.” Een zelfde soort fenomeen is zichtbaar bij de organisatie van de vrouwenmars: uit de reacties op het evenement blijkt dat er veel mensen zijn die de mars niet inclusief genoeg vinden.

Wellicht is dit een te pessimistische blik op inclusiviteits- en exclusiviteitsvraagstukken en is er inderdaad voldoende ruimte om te demonstreren voor een breed pallet aan problematiek. Dit kan een nieuwe variant zijn van issue linkage: door groepen samen te brengen die dezelfde problematiek ervaren vorm je een sterker front. Tevens is de slogan van de internationale Women’s March “We are stronger together.” Het samen brengen van verschillende groepen kan dus ook juist een middel zijn om een krachtige indruk te maken op de samenleving.

Weetje van de week: Vroegtijdig uit de Tweede Kamer

Recent vertrek
Kamerlid Foort van Oosten vertrok afgelopen dinsdag officieel uit de Tweede Kamer om aan te treden als burgemeester van Nissewaard. Hij is niet de eerste, sinds het aantreden van de nieuwe Tweede Kamer in 2017 zijn al twaalf Kamerleden hem voorgegaan waarvan drie VVD-Kamerleden. De redenen voor het vroegtijdige vertrek lopen uiteen, soms om een nieuwe baan, soms vanwege privéredenen. Volgens de site Parlement.com vertrekken er gemiddeld 35 Kamerleden per jaar.

‘Het hoogste ambt in de democratie’
De media plaatst regelmatig kanttekeningen bij het vroegtijdig vertrekken van Kamerleden. Verschillende critici stellen dat gekozen volksvertegenwoordigers hun termijn moeten volmaken omdat ze anders hun belofte aan de kiezer breken. De trend dat de Tweede Kamer een vijver is voor toekomstige wethouders en burgemeester is vrij nieuw schrijft het Nederlands Dagblad. Zo verlieten Sharon Dijksma (PvdA), Liesbeth van Tongeren (GroenLinks) en Linda Voortman (GroenLinks) al eerder de Kamer voor het wethouderschap.

Kamervoorzitter Khadija Arib laat ook regelmatig merken dat ze niet blij is met vroegtijdige Kamerverlaters. “Ik ben niet gelukkig met Kamerleden die vroegtijdig de Kamer verlaten”, zei Arib afgelopen juni tegen Linda Voortman (GroenLinks), die voor een wethouderspost in Utrecht de Kamer verliet. Tegen Pieter Duisenberg (VVD) zei Arib in het afscheidswoord: “je partij en kiezers hadden meer van je verwacht”. Wie gekozen is tot Kamerlid voert het hoogste ambt in de democratie uit en dient het termijn van vier jaar vol te maken aldus Arib.

Gemiddelde ervaring
Parlementair Historicus Bert van Braak doet statistisch onderzoek voor het Parlementair Documentatie Centrum en wijst een andere reden aan voor het vertrekken van politici. In NRC vertelt hij dat het aantal tussentijdse vertrekkers niet is toegenomen, maar dat de reden voor vertrek wel is veranderd. Omdat politici meer dan in het verleden onder een vergrootglas liggen lijkt elke misstap een aanleiding om op te moeten stappen. Hij vindt de krampachtigheid over dat elk lid de vier jaar moet volmaken niet nodig. Al zorgen de korte Kamercarrières wel voor een afname van de gemiddelde ervaring.

Het uitblijven van regeringsdeelname kan ook een rol spelen bij het vroegtijdig verlaten van de Kamer. Erik Van Zuijlen (voorzitter selectiecommissie GroenLinks) legt in NRC uit dat als bij het vooraf selecteren van de kandidatenlijst rekening gehouden is met mogelijke regeringsdeelname, veel bestuurlijk talent wordt aangetrokken. Als tijdens de formatie een partij afvalt, gaan sommigen van hen verder kijken naar een nieuwe baan.

Weetje van de week: Jongerenprotest

Op 7 februari demonstreerden duizenden jongeren in Den Haag voor het klimaat. De “klimaatspijbelaars” haalden afgelopen week dagelijks het nieuws en laaiden discussie op. Het debat over klimaatmaatregelen en het middel spijbelen als protest werd breed gevoerd. Een mooi moment om te kijken naar de verandering van jongerenprotesten.

Schoppen tegen het gezag
Bij het thema protesterende jongeren wordt vaak gedacht aan de jaren ’60, waarin de Provo beweging in Amsterdam zich af wilden zetten tegen de gevestigde orde en machtsstructuren. Met een anarchistische insteek werd er gedemonstreerd tegen de cultuur van hiërarchie en gezag. Provocerende acties en aanvaring met de politie voeren de boventoon. De reactie van het gezag was fel; de beelden van het politiegeweld tijdens deze protesten zorgde ervoor dat de beweging nationale bekendheid verwierf. De provo’s waren tegen kapitalisme en hadden plannen voor een deeleconomie. Het Witte Fietsenplan, waarbij er overal in Amsterdam witte fietsen zouden staan die gratis te gebruiken waren, was daar een van. De verzetsbeweging is ooit met één zetel in de Amsterdamse gemeenteraad gekomen, maar echte doorvoering van de Provo plannen heeft nooit plaats gevonden.

Verandering van organisatie
De grootschalige demonstraties en de provocerende cultuur van de jaren ’60 onder jongeren zwakte met de jaren wat af. Vaak wordt gesuggereerd dat jongeren niet meer in beweging te krijgen zijn voor demonstaties vanwege hun “verwende” of “egocentrische” gedrag. Echter stelt Sicco de Knecht in een artikel voor opiniewebsite “de Fusie” dat jongeren weldegelijk nadenken over maatschappelijke problemen, maar dit op andere wijze uiten. Via jongerenorganisaties, sympathieke initiatieven, commissies en werkgroepen zijn jongeren beter georganiseerd. De kritische jongeren worden niet meer behandeld als buitenstaanders, maar lopen mee in de dagelijkse gang van zaken. Daarnaast stelt de auteur dat de bestuurders na jaren ervaring in omgang met protesten begrijpen hoe ze situatie moeten managen, en zijn zij door persvoorlichter vakkundig voorbereid op de juiste reactie.

De klimaatmars als moderne demonstratie
De “Klimaatspijbelaars” brachten op 7 februari politieke organisatie en modern protest samen. Door een heldere organisatie, mediatraining om de boodschap goed over te brengen voor een aantal van de organisatoren en een hoge opkomst kwamen zij overal in het nieuws. Politici en persvoorlichters wisten op demonstratie in te spelen door met de demonstraten op de foto te gaan, of hun waardering voor de maatschappelijke betrokkenheid te prijzen. Een week later mochten de organisatoren praten met de premier in het torentje over de maatregelen die zij zouden willen zien. Het traditioneel provocerende tintje is echter niet helemaal verdwenen als je naar de leuzen op de spandoeken kijkt. Het blijft natuurlijk wel een jongerenprotest.

Weetje van de week: Europese Dag van de Privacy

Privacy en gegevensbescherming lijken steeds belangrijker te worden in zowel Nederland als in Europa. Met de invoering van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) in mei afgelopen jaar zijn de regels nog verder aangescherpt. Maar hoe is deze wetgeving oorspronkelijk ontstaan?

Privacy Awards
Afgelopen 28 januari vond de jaarlijkse Europese Dag van de Privacy plaats. Deze dag is in 2007 opgezet door de Raad van Europa om Europese burgers op de hoogte te stellen van het gebruik van persoonsgegevens door verschillende organisaties. In Nederland werd op deze dag de Nationale Privacy Conferentie georganiseerd om aandacht te besteden aan dit belangrijke onderwerp. Op deze conferentie werden de jaarlijkse Nederlandse Privacy Awards uitgereikt. De prijzen worden verdeeld onder bedrijven en overheden die privacy hoog in achting in hun werkzaamheden en innovatief zijn in gegevensbescherming, dit jaar Startpage.com, Privacy Designer en PublicSpaces.

Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
De datum van deze dag, 28 januari, heeft een belangrijke betekenis op het gebied van privacy in Europa. Op deze datum werd namelijk in 1981 het ‘Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens’, oftewel het Dataprotectieverdrag, getekend in Straatsburg. Dit verdrag is de basis voor de moderne Europese privacybescherming en bouwt voort op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) uit 1950. Dit artikel voorziet in de brede zin natuurlijke personen in het recht voor privé- en familieleven, het eigen huis en briefgeheim.

Bescherming privéleven
Het doel van het Dataprotectieverdrag uit 1981 was om de rechten en fundamentele vrijheden te beschermen van natuurlijke personen op het gebied van geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens. In het verdrag zijn normen van inhoudelijke en procedurele aard opgenomen met betrekking tot verwerking van persoonsgegevens. Het betreft een aantal belangrijke begripsbepalingen, beginselen met betrekking tot de kwaliteit van persoonsgegevens, bijzondere persoonsgegevens, informatiebeveiliging en transparantie. In 2001 werd het verdrag uit 1981 aangevuld met een Protocol, waarmee de aangesloten staten verplicht werd een onafhankelijke toezichthouder aan te stellen. Het Protocol stelde daarnaast dat staten die het Verdrag hadden getekend alleen gegevensverkeer mochten uitwisselen met niet-aangesloten staten wanneer in dat land een passend regime van gegevensbescherming bestond.

Dit originele document is recentelijk herzien, omdat het Raadgevend Comité bij het Verdrag in 2012 aangaf dat het Verdrag verouderd is ten opzichte van technologische ontwikkelingen. Het Dataprotectieverdrag is in mei 2016 uiteindelijk vervangen voor de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Organisaties kregen tot mei 2018 om aanpassingen in te voeren om hieraan te voldoen.

Privacyangst
De herziening van de privacywetgeving heeft er voor gezorgd dat bedrijven intensieve aanpassingen in hun privacybeleid hebben doorgevoerd en dat de rechten en middelen van consumenten zijn uitgebreid om gegevensbescherming te bevorderen. Desondanks blijkt uit recentelijk onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) dat 94% van de Nederlanders zich zorgen maakt over de bescherming van de persoonsgegevens. Hetzelfde onderzoek wijst uit dat maar 12% van de ondervraagden wel eens gebruik maakt van een privacyrecht. Dus aan de ene kant zijn mensen angstig als het gaat om hun privacy, maar aan de andere kant wordt er relatief weinig initiatief genomen om dit verhelpen, ondanks de beschikbare tools.

Weetje van de Week: Emotie in de politiek

Tijdens de WRR-lezing op 24 januari en in het NRC van 26 januari sprak en schreef Ute Frevert, Duits Historica, over emoties in de politiek. Zij wijst op het feit dat emoties altijd onderdeel zijn geweest van democratische systemen, want wanneer macht wordt bevraagd door de burger dan worden emoties belangrijk om het volk te overtuigen. Aristoteles benadrukte al dat sprekers doormiddel van retorische strategieën beter in staat waren emotie over te brengen en daarmee hun punt te bewijzen. Volgens Frevert is de belangrijkste emotie in politiek vertrouwen. Vanaf 1950 staat vertrouwen in politieke instituties, partijen en de overheid regelmatig centraal. In verschillende nationale enquêtes en opinie peilingen wordt de burger gevraagd naar de mate van vertrouwen in de politiek. Burgers worden dus niet enkel aangesproken op ratio maar ook op gevoel.

Politisering van emoties
Emoties in de politiek spelen een belangrijke rol bij debatten en onderhandelingen. Zowel positieve als negatieve emoties worden ingezet om het politieke doel te bereiken. Een nieuwe ontwikkeling is de politisering van emoties. De emoties die tot voor kort een hulpmiddel waren, zijn nu politieke argumenten op zich geworden. Zo kan bijvoorbeeld vernedering een gevoel zijn, dat de actie van terugslaan rechtvaardigt. Populistische politici maken vaak gebruik van emoties en gevoelens om argumenten over te brengen. Als binnen een discussie emoties centraal staan maakt dat het sluiten van compromissen moeilijk aldus Frevert. Frevert sluit af met een oproep tot het gebruiken van vertrouwen als belangrijkste emotie. Volgens haar is vertrouwen een democratische emotie omdat het een overeenkomst suggereert. Als burger kan je je vertrouwen intrekken en dat geeft macht in onderhandelingen. Daarnaast is vertrouwen een positieve emotie waardoor het een constructief effect heeft.

Niet boos maar teleurgesteld
In het NRC van 26 september 2018 schreef Gert-Jan Lelieveld, universitair docent bij de sectie Sociale en Organisatiepsychologie aan de Universiteit Leiden, ook over het strategisch gebruik van emoties door politici. Lelieveld zegt in het artikel dat tijdens onderhandelingen emoties een belangrijke rol spelen. Hij zegt in tegenstelling tot Ute Frevert dat ook negatieve emoties effectief zijn tijdens het voeren van een debat. Voorbeelden hiervan zijn boosheid en teleurstelling. ‘De expressie “ik ben niet boos, alleen teleurgesteld” wordt vaak gebruikt om mensen zich slecht te laten voelen over wat ze gedaan hebben, in de hoop dat hun gedrag verandert’. Boosheid, daarentegen is een emotie die macht uitstraalt, daarbij horen hoge eisen en krachtige onderhandelingstechnieken. Tegenstanders geven om deze redenen vaak toe aan de gesprekspartner. Terwijl teleurstelling juist staat voor zwakte omdat je meer had verwacht maar alleen de ander kan daar wat aan doen. Desondanks kan ook teleurstelling zeer effectief zijn tijdens onderhandelingen maar alleen als het schuld oproept bij de ander.

Om de politieke discussies rationeel te kunnen begrijpen, dient emotie dus altijd in ogenschouw te worden genomen.

Weetje van de Week – De Week van de Circulaire Economie 2019

De circulaire economie groeit: de vierde editie van de Week van de Circulaire Economie (14 t/m 18 januari) is daarvan het bewijs. Meer dan 100 ondernemers, provincies en gemeenten tonen hun circulaire initiatieven tijdens evenementen door heel Nederland. In aanloop naar de week van de circulaire economie publiceerde het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) vorige week het rapport ‘circulaire economie in kaart’. In dit rapport brengt het PBL de huidige stand van zaken van de circulaire economie in beeld.

Het PBL hanteert een brede benadering van de circulaire economie in haar analyse: alle bezigheden van bedrijven en organisaties die op een of andere manier grondstoffen besparen, zijn meegerekend. Met deze definitie blijkt dat de circulaire economie in Nederland veel groter is dan uit eerdere onderzoeken naar voren is gekomen, en dat veel bedrijven en organisaties bewust of onbewust bijdragen aan de circulaire economie. De analyse van het PBL laat zien dat het gaat het om ruwweg 85.000 activiteiten, waar circa 420.000 banen mee zijn gemoeid: dat is 4 tot 5 procent van de werkgelegenheid. Hoewel de circulaire economie veelal een hip en nieuw imago heeft, zijn meer dan 70.000 van deze activiteiten al lange tijd onderdeel van de Nederlandse economie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan fietsen-, meubel- en schoenenmakers, maar ook aan de handel in tweedehands auto’s, kringloopwinkels of tweedehandskledingzaken.

Om de ambitieuze doelstellingen van het Rijksbrede programma ‘Nederland circulair in 2050’ – 50% minder grondstoffengebruik in 2030 en een volledig circulaire economie in 2050 – te behalen, zijn volgens het PBL meer innovatieve businessmodellen en nieuwe technologieën nodig. Innovatieve businessmodellen zoals deelplatformen of abonnementen die gebruik, in plaats van bezit van producten en diensten centraal stellen, zijn er volgens het PBL nog te weinig. Daarnaast identificeert het PBL belemmeringen die de transitie naar een circulaire economie in de weg staan, en de vervolgstappen die overheden kunnen nemen om de overgang naar een circulaire economie te versnellen. Zo kunnen overheden circulaire initiatieven ondersteunen door aanpassing en vereenvoudiging van belemmerende wet- en regelgeving en door een milieuheffing op grondstoffen.

Hoewel er in Nederland dus ontzettend veel gebeurt op het gebied van de circulaire economie, is er nog veel meer nodig om tot een nieuwe economie te komen. De week van de circulaire economie maakt succesvolle initiatieven en verdienmodellen zichtbaar, en laat ons leren van circulaire koplopers. Zo vormt de week van de circulaire economie een drijfveer voor anderen om aan de slag te gaan met hun circulaire ambities.