Category Archives: Blog

Eelco Keij (Dr2 New York)

Monitoren, bijsturen en agenderen van maatschappelijke thema’s bij internationale organisaties, voor onze Nederlandse en Europese opdrachtgevers. Dat is de kracht van Dr2 New York. 

Twee elementen zijn altijd aanwezig in het werk dat ik doe: een internationale focus, en politiek. Internationale fondsenwerving, lobbyen rondom ontwikkelingssamenwerking, werken bij de VN, en nu bij Dr2 New York: uiteindelijk komen die twee elementen altijd samen, en dat houdt het spannend.

In mijn (vrijwilligers)werk bij de Stichting Nederlanders buiten Nederland (SNBN) vertegenwoordig ik de belangen van tienduizenden Nederlanders die in het buitenland wonen. Een flinke opdracht, maar een belangrijke waar ik me graag voor inzet. Bij D66 ben ik actief rondom informatievoorziening, congresmoties en beleidsbeïnvloeding.

New York

Sinds 2006 woon en werk ik in New York, met uitzondering van 2015-2018, toen we in Nijmegen woonden, waar ik hoofd fondsenwerving van de Radboud Universiteit was. De fietstochten in de Ooij missen we nu nog. Mijn Amerikaanse vrouw en ik vinden het belangrijk dat onze twee kinderen een sterke band opbouwen met hun beide vader-/moederlanden, dus dat speelde zeker mee bij de verhuizingen van de afgelopen jaren.

In New York werk ik al jarenlang, en als bewuste keuze, zoveel mogelijk vanuit huis. Eigenlijk bestaat een dag in New York, althans als je veel met mensen in Europa moet schakelen, uit twee dagen: de dag die begint als je opstaat (en je het gevoel hebt dat je uren achterloopt, wat soms ook zo is), en de dag vanaf het middaguur, wanneer de meeste Europeanen van het werk weer terug naar huis zijn gegaan. Dan heb je pas echt even tijd om te concentreren en het nodige in rust af te maken. Tussen die twee ‘dagen’ door probeer ik geregeld te hardlopen, juist om me klaar te maken voor het tweede deel. Daarnaast reis ik niet ontzettend vaak, maar wel weer vaak en ver genoeg om bij terugkeer dagen nodig te hebben om de ontplofte inbox te ordenen.

Afgezien van de praktische insteek dat New York mijn woonplaats is, is het tevens het epicentrum van de Verenigde Naties, de SDGs en nog veel meer andere internationale agencies. Nederlandse Kamerleden, ministers en andere hoogwaardigheidsbekleders komen hier veelvuldig langs, bijvoorbeeld tijdens werkbezoeken of omdat ze uitgenodigd zijn bij een van de vele internationale organisaties. Hen spreken in een NY-setting is toch anders dan in Den Haag – de sfeer is anders, de jetlag speelt soms mee, de agenda is anders, kortom: het zijn vaak ontmoetingen die worden onthouden. Bovendien is het Nederlanderschap bij dat soort samenkomsten een verbindende factor, waardoor deze ontmoetingen vaak heel gezellig en hartelijk zijn.

Dr2 New York 

Een nieuw kantoor open je niet zomaar: daar gaan veel strategische sessies aan vooraf. Voor mij was het zaak Dröge & van Drimmelen te begrijpen en te kijken wat een logische aanvulling is op het werk dat in Den Haag en Brussel gedaan wordt. Samen met de partners in Europa ben ik op zoek gegaan: waar ligt precies die niche? Heel belangrijk was dat de Europese partners in februari een week hier in New York waren. Gedurende die week hebben we een waaier aan bezoeken gebracht aan verschillende kantoren en bedrijven.

De focus van Dr2 New York ligt onder meer op de VN, de SDGs, en het Nederlands maatschappelijk middenveld. We zijn ervan overtuigd dat we hier een meerwaarde bieden, vooral door het lobbyen en monitoren van de SDGs voor Nederlandse en andere non-profits die bepaalde thema’s zoals persvrijheid, duurzaamheid en circulariteit extra onder de aandacht willen brengen. Als opdrachtgever kan je zelf niet altijd in New York zijn – even nog afgezien van corona. Wij zijn ter plaatse en weten hoe we de thema’s moeten monitoren, bijsturen en agenderen. Daarnaast begrijpen wij de Nederlandse context. We hebben kennis van de Haagse en Brusselse politiek, dus plaatsen wij thema’s continu in een breder perspectief: de internationale, maar ook Haagse en Brusselse.

Contact

Voor meer informatie over Dr2 New York, klik hier.

Voor meer informatie over Eelco Keij, klik hier.

De weg naar een succesvolle corona exit-strategie

In een sneltreinvaart heeft het kabinet de afgelopen weken de zoektocht naar een corona-app gestart. Een paar weken en veel initiatieven later is het proces afgerond, maar vooralsnog zonder resultaat. Wat hebben we hiervan geleerd en hoe kunnen we verder? Dröge en van Drimmelen neemt u graag mee in een alternatieve aanpak op dit proces vanuit een public affairs-oogpunt.

Op dinsdag 7 april 2020 kondigt minister Hugo de Jonge van Volksgezondheid aan dat het kabinet gaat kijken naar het gebruik van twee apps ter ondersteuning van het bron- en contactonderzoek. Dit moet helpen bij de bestrijding van het coronavirus en een heropening van de samenleving bevorderen. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) organiseert een open aanbesteding en een appathon. Binnen een paar dagen worden honderden geïnteresseerden partijen betrokken. Maar met alleen snelheid is er geen app, zo blijkt. Zorgvuldigheid en draagvlak zijn noodzakelijk. Deze vijf stappen bieden houvast voor een vervolgproces.

  1. Doel boven instrument

Een corona-app is een instrument en geen doel. Het is cruciaal dat dit uitgangspunt niet alleen duidelijk is voor VWS en voor politiek, maar ook helder wordt gecommuniceerd naar de samenleving. Wat is wel het doel? Een exit-strategie die voor de lange termijn toepasbaar is.

  1. Draagvlak is noodzakelijk

Het kabinet maakt gebruik van medische experts om draagvlak te genereren voor politieke keuzes. Ook in de totstandkoming van een exit-strategie is draagvlak essentieel. Van het voorgaande proces hebben we geleerd om hierin niet op tijd te bezuinigen. Trek juist in de beginfase tijd uit om met experts te spreken en input te krijgen voor de voorwaarden waar een exit-strategie aan moet voldoen. Wie moeten er aan tafel? Experts uit verschillende disciplines, zoals zorgprofessionals, technologen, (gedrags)psychologen, sociologen, economen, etc.

  1. Coronatafels

Uit de ‘coronatafels’ met experts komen diverse instrumenten waarmee de exit-strategie kan worden bewerkstelligd. Eén hiervan is een corona-app. Hierbij is het van belang dat experts, vanuit hun verschillende disciplines, samen vaststellen wat de eisen en voorwaarden zijn. Hierbij moet worden gedacht aan vraagstukken over databescherming, veiligheid, transparantie, etc. Hoewel snelheid belangrijk is, en dit proces zeker twee weken kost, is het de investering waard. Belangrijk is om in de communicatie vooraf te benadrukken dat dat doelmatigheid uiteindelijk belangrijker is dan snelheid.

  1. Betrek de Tweede Kamer 

In plaats van de Tweede Kamer op het laatste moment te informeren over de gemaakte keuzes, moet de Kamer vanaf het begin haar controlerende functie uit kunnen voeren. De Kamer kan bij uitstek richtinggevend zijn als het gaat om randvoorwaarden stellen waar een app aan moet voldoen. Als er stappen zijn genomen in het maatschappelijke en politieke draagvlak, is het tijd om over te gaan op de uitvoering.

  1. Appathon

Het ministerie van VWS heeft met de appathon een democratisch en transparant middel geïntroduceerd. Het organiseren van een appathon is daarom een uitstekend middel om in de openbaarheid een keuze te maken over de inzendingen. Hierbij moet het wel duidelijk zijn wat de eisen aan de app zijn en wat er gevraagd wordt van de app-ontwikkelaars: moet de app al af zijn? Moet al aan alle eisen worden voldaan? Hoeveel tijd krijgen de inzenders om de app af te maken? En: vergeet niet de Autoriteit Persoonsgegevens te betrekken.

Conclusie

We laten voorlopig de coronacrisis nog niet achter ons. De verschillende stappen in het proces transparant maken, duidelijke verwachtingen scheppen en doelen onderscheiden van middelen dragen bij aan heldere communicatie. Betrek experts vanuit verschillende hoeken van de samenleving en laat de Tweede Kamer haar controlerende functie vervullen. Zo creëer je draagvlak en weet je zeker dat het beoogde middel ook tot het doel ‘exit-strategie’ leidt.

Het Parlement werkt voorzichtig door

Het parlement is niet ontzien door het coronavirus. Toch hebben beide Kamers laten weten dat het parlementaire proces zo veel mogelijk doorgang moet vinden. Het is op dit moment lastig om volgens de reguliere weg te vergaderen. Daarom zoeken de Eerste en Tweede Kamer naar andere manieren om hun controlerende functie uit te blijven voeren. 

De Tweede Kamer 

Op Witte Donderdag heeft de Voorzitter van de Tweede Kamer Khadija Arib laten weten dat de Tweede Kamer iets vaker gaat vergaderen. De Tweede Kamer heeft de mogelijkheid om wetgevingsoverleggen en notaoverleggen te voeren. Deze vinden plaats op maandag en dinsdag – en op een donderdag indien er sprake is van een nationale Feestdag (Koningsdag, Bevrijdingsdag en Tweede Pinksterdag). De Kamer heeft hierbij de mogelijkheid om moties in te dienen. Daarnaast werkt de Tweede Kamer tijdens het Meireces (24 april t/m 11 mei) door, al beperkt zij zich daarbij tot overleggen over de huidige crisis. 

De prioriteit in de vergaderingen ligt bij de huidige crisis en bij de spoedeisende wetgevingstrajecten. Dit is een lijst van wetgevingstrajecten die geen vertraging mogen oplopen. De departementen hebben hiervan een lijst samengesteld, die vervolgens in de procedurevergaderingen van de Tweede Kamercommissies is behandeld. 

Verder blijven de procedures in de Tweede Kamer zo transparant mogelijkVergaderingen die fysiek op het Binnenhof plaatsvinden worden digitaal gestreamd. Bij de (procedure)vergaderingen die plaatsvinden middels videocalls is dit  niet mogelijk. Daarom wordt van deze vergaderingen de agenda, besluitenlijst en een woordelijk verslag online gepubliceerd. In de regel gebeurt dit binnen twee dagen na deze digitale bijeenkomst. 

Alhoewel de Tweede Kamer op deze manier haar taken voorzichtig uitbreidt, is ze voorzichtig bij het plannen van meer vergaderingen. “Het is belangrijk dat we er zeer terughoudend mee omgaan. Als parlement hebben we een voorbeeldfunctie”, aldus Arib – daarbij verwijzend naar de maatregelen van het kabinet om het coronavirus te bestrijden. 

De Eerste Kamer 

De Senaat werkt vooralsnog tot 28 april in afgeslankte vorm door. Dit houdt in dat er fysieke debatten zijn over enkel coronagerelateerde en spoedeisende zaken. De commissievergaderingen worden voor een deel schriftelijk doorgezet. Dinsdag 7 april heeft de Eerste Kamer voor het eerst sinds twee weken weer vergaderd met maximaal één woordvoerder per partij en zonder publiek. Tijdens deze plenaire vergadering heeft de Eerste Kamer ingestemd met het Noodpakket banen en economie.  

Een interessant gegeven is dat de Senaat op 7 april akkoord is gegaan met het voorstel van Voorzitter Bruijn om de Raad van State om voorlichting te vragen over de mogelijkheden rondom het quorum, vergaderen en digitaal stemmen. Als de Raad van State een positief advies uitbrengt over deze zaken, kunnen in theorie veel debatten in de Eerste Kamer weer doorgang vinden.  

Tot slot 

Kamerledenbewindspersonen en politieke partijen zoeken naar andere manieren om hun werk tijdens deze crisis door te zetten. Omdat de meeste activiteiten in het publieke domein zijn afgelast biedt de gemiddelde Haagse agenda een stuk meer ruimte voor een (digitale) afspraak.  

Ook wordt er gewerkt aan onderwerpen die nog ver in de toekomst liggen, zoals Prinsjesdag en de Tweede Kamerverkiezingen 2021. Deze zaken lijken nog niet aan de orde, maar dit betekent niet dat er momenteel niet wordt gewerkt aan de voorbereiding hierop. Dit biedt nieuwe kansen voor het behartigen van uw belangen. 

In deze tijden volgen wij de laatste politieke ontwikkelingen op de voet. Daarbij kunnen wij u op de hoogte houden van relevante gebeurtenissen en adviseren over de te nemen stappen op het gebied van public affairs en corporate communicatie. 

Wilt u meer weten? U kunt ons bereiken via 070 392 02 12 en info@dr2.nl 

Digitalisering politiek beter borgen

Al jaren worstelt het Nederlandse parlement met de gevolgen van een digitaliserende samenleving. In elke Kamercommissie worden onderwerpen besproken met een digitale component, maar lang niet altijd weten alle Kamerleden goed wat de maatschappelijke impact hiervan is. Het gevoel bestaat dat de Kamer onvoldoende grip krijgt op digitalisering. Een viertal Kamerleden heeft daarom het initiatief genomen voor een parlementaire onderzoekscommissie. Onder voorzitterschap van Kathelijne Buitenweg (GroenLinks) bijt deze Tijdelijke Commissie Digitale toekomst (TCDT) zich vast in het digitaliseringsvraagstuk.

Grip op ICT-projecten
Het onderzoek moet beter in kaart brengen hoe de Tweede Kamer meer grip kan krijgen op dit complexe thema. Iedere Kamercommissie benadert digitale onderwerpen vanuit haar eigen expertise, met grote versnippering tot gevolg. Deze aanpak mist de integrale kijk op digitalisering die nodig is om door beleidsterreinen heen te kijken. Sinds september is de tijdelijke commissie aan de slag met rondetafelgesprekken met experts, ervaringsdeskundigen en critici. Dit is echter ook het enige wat de buitenwereld momenteel meekrijgt over de werkzaamheden van de TCDT. De andere activiteiten spelen zich af achter gesloten deuren, en sinds oktober is de TCDT in zijn geheel niet meer in het openbaar bijeengekomen. Hoe het ook zij, in april 2020 presenteert de TDCT een rapport met de bevindingen.

De wens om meer houvast te krijgen op digitalisering is geen nieuw issue binnen de Tweede Kamer. Vooral de omgang van de overheid met ICT-projecten is een regelmatig terugkerend thema. Zo rapporteerde de commissie-Elias vrij recent nog over de problemen rondom deze projecten. De conclusies van deze commissie waren bedroevend, met aandacht voor miljarden verspilde euro’s. De versplintering van de verantwoordelijkheid was daarbij één van de oorzaken. De commissie-Elias werd bovendien voorafgegaan door de werkgroep-Gerkens, die een soortgelijk onderzoek deed naar de problematiek van ICT-projecten bij de overheid. Ook in deze conclusies pleitte de werkgroep voor meer grip van zowel bewindspersonen als het parlement op ICT-projecten.

Digitaal topteam
Ook het instellen van een overlegorgaan op het gebied van digitalisering is een suggestie die vaak langskomt. Zo pleitte Kamerlid Verhoeven (D66) in zijn recente techvisie van D66 voor het oprichten van een vaste Kamercommissie voor Digitale Zaken. Ook de TCDT zegt een dergelijke Kamercommissie als optie te overwegen. Naast deze suggestie voor een vaste parlementaire commissie is ook het instellen van een onderraad voor ministers op het gebied van digitalisering meermaals geopperd. In 2016 pleitte een groep bedrijven en maatschappelijke organisaties voor een digitale onderraad als ministerieel digitaal topteam. Deze groep ondernemingen oordeelde dat het digitale beleid in Nederland te weinig aandacht krijgt voor de aandacht die het zou moeten krijgen. De politieke verantwoordelijkheid is volgens de ondertekenaars teveel versnipperd om digitale innovatie effectief mogelijk te maken. In navolging van dit verkiezingsmanifest pleitte Kamerlid Tom van der Lee (GroenLinks) voor het instellen van een aparte digitale onderraad. Zijn motie richting een digitale onderraad haalde het echter niet.

De grote vraag rondom de tijdelijke commissie is of het de Tweede Kamer dit keer gaat lukken om meer grip te krijgen op digitalisering. De vorige commissies worden vaak aangehaald vanwege hun kritische blik, maar hun voorstellen zijn slecht ten dele in de praktijk gebracht. Daarnaast is het de vraag of een commissie van techspecialisten recht doet aan de problematiek rondom het digitaliseringsvraagstuk. Op deze manier wordt enkel door de bril van een tech-expert gekeken naar digitalisering in allerlei dossiers, uiteenlopend van data in de zorg tot algoritmes in het verkeer. Op deze manier creëert de oplossing de facto een nieuw gemis.

Nieuwe vaardigheden
Misschien moeten we accepteren dat digitalisering in de 21e eeuw een essentieel onderdeel is op elk beleidsterrein. Daarom zou elk Kamerlid een bepaald minimum van digitale vaardigheden en kennis moeten bezitten om op een juiste manier tot politieke conclusies te komen over digitalisering. Anno 2019 is digitaal inzicht even belangrijk als de andere vaardigheden waar een Kamerlid over moet beschikken. Met welke conclusies de tijdelijke commissie ook komt, zien wij dit als de route om digitalisering beter te borgen in het Kamerwerk.

Actieplan voor AI: een open uitnodiging voor kennisdeling?

Op dinsdag 8 oktober jl. is (eindelijk) het ‘Strategisch Actieplan voor Artificiële Intelligentie’ (SAPAI) gelanceerd door staatssecretaris Mona Keijzer van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK). AI-technologie levert volgens het  kabinet een stevige bijdrage aan de economische groei, welvaart en welzijn. Daarnaast ziet het kabinet een rol voor Artificiële Intelligentie (AI) in maatschappelijke vraagstukken op verschillende deelgebieden zoals vergrijzing, klimaatverandering, voedselveiligheid, gezondheid en zorg. Maar ook de risico’s van AI komen in het SAPAI aan bod, namelijk dat fundamentele rechten als privacy, non-discriminatie en autonomie te allen tijde moet worden beschermd.

Hoewel het natuurlijk prijzenswaardig is dat Nederland nu ook een AI-strategie heeft, is er behoorlijk wat kritiek op het actieplan. De onvrede richt zich met name op het uitblijven van investeringen en het maken van gerichte keuzes. De kritiek is begrijpelijk en deels terecht, maar aan de andere kant laat het gebrek aan investeringen (en dus keuzes) ook zien dat er nog een wereld te winnen valt met uitleggen wat de kansen zijn van AI en waar AI-technologieën het verschil kunnen maken. Daarnaast maakt het kabinet wel degelijk keuzes, al verdienen een groot deel daarvan nog nadere uitwerking. Een korte samenvatting van het SAPAI en de inzet op drie sporen.

Het benutten van maatschappelijke en economische kansen
Het kabinet wil de komende jaren vol inzetten op publiek-private samenwerking op verschillende beleidsterreinen zoals veiligheid, gezondheid, landbouw/voedsel en de energietransitie. In samenwerking met private partijen ziet het kabinet dit als een kans om met AI maatschappelijke vraagstukken aan te pakken. De adoptie van AI onder het mkb en het aantal start-ups en scale-ups moet fors omhoog en daarnaast gaat de overheid AI-gerelateerde start-ups en scale-ups stimuleren bij het ontwikkelen van toepassingen. Het klinkt ambitieus, maar veel acties zijn een opsomming van eerder gelanceerde beleidsinitiatieven (e.g. de rijksbrede start-up- en scaleupstrategie die eerder dit jaar is gepubliceerd) of bestaand instrumentarium (e.g.  kennis- en innovatieagenda’s, WBSO). Er vinden (vooralsnog) geen grote nieuwe beleidswijzigingen plaats: het initiatief daartoe lijkt met name neergelegd te worden bij de markt en de AI-coalitie in oprichting (waarover later meer).

De overheid ziet ook een meer directe rol voor zichzelf: het gaat optimaal gebruik maken van AI-toepassingen. Om dit te bereiken moet vooral de kennis binnen het Nederlands bestuur worden vergroot en moet de regelgeving up-to-date worden gemaakt. Bij inkoop door de overheid zal worden gestimuleerd dat er niet altijd voor de geijkte paden, maar ook vaker voor innovatieve bedrijven en, in het bijzonder, voor innovatieve MKB’ers worden gekozen. Dat biedt hoop. Het kennisniveau moet inderdaad omhoog en de overheid heeft een katalyserende  rol te vervullen als launching customer. Al is voor dit laatste maar de vraag of de Europese aanbestedingsregels deze ruimte daadwerkelijk toelaten (en of de afzonderlijke beleidsdepartementen en uitvoeringsorganisaties die ruimte ook kunnen en durven (!) te pakken).

Het scheppen van de juiste voorwaarden
Om de AI-ontwikkeling te versnellen wil het kabinet dat in Nederland een bruisend AI-klimaat heerst met voorwaarden die optimaal bijdragen aan AI-onderzoek en aan de ontwikkeling, vermarkting en inzet van AI-toepassingen. Een aantal ingrediënten zijn volgens het kabinet hiervoor van groot belang: onderzoek en innovatie van hoge kwaliteit, een beroepsbevolking met de juiste kennis en vaardigheden om AI te ontwikkelen en ermee te werken, toegang tot voldoende kwalitatief goede data, en hoogwaardige en intelligente digitale connectiviteit. Ook hier wordt in de uitvoering van de plannen veelal verwezen naar bestaande beleidsprogramma’s (waarin AI wordt opgenomen) en instrumenten of toekomstige beleidsplannen en -ambities (e.g. NWO komt ‘na de zomer’ met een AI-onderzoeksagenda). Dat terwijl juist hier belangrijke keuzes kunnen worden gemaakt waar de overheid een sturende rol kan pakken en waar directe overheidsinvesteringen effect kunnen hebben. AI-adoptie is namelijk grotendeels afhankelijk van (digitaal) vaardige burgers, ondernemers en werknemers. En de toepassing van AI-technologieën is gebaat bij diepgaand fundamenteel en toegepast onderzoek in sectoren waar kansen liggen. Toegang tot voldoende capaciteit rekenkracht is tot slot een randvoorwaarde om met AI te experimenteren. Drie voorbeelden waar directe overheidsinvesteringen op de langere termijn positief effect kunnen hebben op de AI-gereedheid en -adoptiegraad van ons land.

Het versterken van de fundamenten
De toepassingen van AI moeten volgens het kabinet binnen wettelijke en ethische kaders opereren. Het is belangrijk dat burgers vertrouwen hebben en blijven houden in AI. Grondrechten zoals privacy, transparantie van bestuur en gelijke behandeling moeten ten alle tijden gewaarborgd worden. Hiervoor is controleerbare AI en verantwoorde doorontwikkeling nodig. Het is de taak van verschillende toezichthouders om grip te krijgen op AI in hun toezichtsgebied. Dit hoofdstuk lijkt aan te sluiten bij de Europese wens om tot nieuwe regulering te komen. Beoogd commissievoorzitter Von der Leyen heeft bij haar nominatie tot Commissievoorzitter aangekondigd om binnen 100 dagen na aanstelling van de nieuwe commissie met regulering voor AI te komen (zie deze blog voor meer informatie over de plannen van de nieuwe Europese Commissie).

Een ander fundament dat volgens het plan versterkt moet worden is mededinging: markten moeten open en competitief blijven. De aanpak hiervan wil het kabinet via Europa laten lopen, door de Europese mededinging toezichthouders meer instrumenten te geven (o.a. door ex ante regulering, zie hier onze blog en de Kamerbrief).

Gelijktijdig met het verschijnen van het SAPAI is een coalitie opgericht waar 65 partijen vanuit het bedrijfsleven en wetenschap, waaronder het ministerie van EZK, zich verenigen in de Nederlandse AI Coalitie. Deze publiek-private samenwerking vormt, samen met de strategie, de basis voor de Nederlandse aanpak van AI. De coalitie streeft naar een meerjarige publiek-private investering van in totaal twee miljard euro in zeven jaar. Er is echter nog geen financiële dekking voor deze miljarden euro’s en in de plannen wordt vooral verwezen naar bestaande potjes of nog op te richten fondsen. Hoe de AI-coalitie hier de komende maanden verandering in kan brengen en op welke manier zij betrokken worden bij de besluitvorming en uitvoering moeten we nog afwachten.

Waar wringt de schoen?
Zoals reeds aangegeven richt de kritiek zich met name op het uitblijven van miljarden investeringen. Hoewel begrijpelijk, is dit ook iets te makkelijk. Want waar moet het kabinet dan in investeren? Investeren = keuzes maken = kleur bekennen. Je kan het geld maar een keer uitgeven en onze portemonnee is lang niet zo diep als die van de VS of China. Daarbij bevat de kritiek geen concrete voorstellen waar die ‘miljarden’ dan (wel) besteed aan moeten worden. We willen allemaal dat er miljarden uitgegeven worden, maar we weten zelf eigenlijk niet waaraan.

Als we de staatssecretaris moeten geloven in Buitenhof vorige week zondag, is – nog zonder dat er geld voor beschikbaar wordt gemaakt – er wel degelijk een duidelijke keuze gemaakt door dit kabinet: de ontwikkeling van Human Centric AI. Dat maakt ‘onze’ aanpak volgens de staatssecretaris uniek. Dat klinkt mooi: maar is dat het wel? Zo goed als alle andere Europese landen zetten in op human centric AI. Zie bijvoorbeeld de Deense of Finse AI-strategie. Dat is niet geheel onlogisch aangezien het ook de Europese inzet is. Zo uniek zijn wij dus niet. Verder is het simpelweg onjuist dat wij als Europa daarmee uniek zijn in de wereld. Ook de VS ziet het belang in van ethiek en grondrechten bij het gebruik van AI. En ook de grote techbedrijven agenderen vraagstukken die hiermee van doen hebben (zie bijv. de white papers van Google en Microsoft). Daarnaast kan je je afvragen: wat wordt er eigenlijk bedoeld met Human Centric AI? En welke voorsprong levert die ‘unieke’ beleidskeuze ons dan op dat het niet nodig is om (ook) miljarden te investeren? Kortom, welke keuze maken we hier nu eigenlijk? Het lijkt nu toch vooral een lege huls dat goed resoneert in Den Haag, in Brussel en veel hoofdsteden in Europa.

Informeren en kennis uitwisselen is waar het voor een groot gedeelte om draait in Public Affairs. Wanneer je goed geïnformeerd bent, durf en maak je (sneller) een weloverwogen keuze. Achter die keuzes zitten belangen. Dat is niet erg, zolang deze belangen door beleidsmakers tegen elkaar afgewogen zijn en de informatie waarop deze belangen zijn gebaseerd klopt. Het is aan het bedrijfsleven, academici en maatschappelijke organisaties om het kabinet / de overheid, inzicht te geven in deze belangen en ze te informeren over risico’s en kansen.

Voor de AI-strategie geldt dit uiteraard ook. Het gebrek aan keuzes toont aan dat er op dit moment vooral heel weinig kennis is over de impact van AI en de mogelijkheden en bedreigingen van deze technologie. Er is wat dat betreft nog een wereld te winnen met uitleggen wat AI behelst en waar de kansen voor Nederland liggen. Hoe heeft AI impact op bestaande technieken, op ons werk en op de beslissingen die over en door ons gemaakt worden? Wat zijn de kansen van de technologie en welke aanpak is nodig om deze kansen ten volle te benutten, zijn vragen die door bedrijven, academici en maatschappelijke organisaties beantwoord dienen te worden. Want waar heeft het überhaupt zin om als overheid in te investeren en waar moet de overheid wel of juist niet reguleren? Waar kan (toegepast) onderzoek een zetje gebruiken om door te breken? Hoe moeten we ons onderwijssysteem flexibel, weerbaar en toekomst- en schokbestendig maken zodat scholieren, studenten en werkenden in staat zijn om in te springen met AI en andere technologische ontwikkelingen? Dit zijn vraagstukken waar de AI coalitie en alle partijen die belang hebben bij AI-ontwikkeling en -adoptie, snel mee aan de slag moeten.

Door Roeland Coomans

Mededinging op de online markten

Vorig jaar kwam er een lijst uit van de twintig grootste techbedrijven ter wereld. Naast de usual suspects uit de Verenigde Staten en China, schitterde de Europese Unie vooral door afwezigheid. Wel liet de EU regelmatig van zich horen op het gebied van mededinging door het uitdelen van hoge boetes voor de grote techbedrijven. De vraag hoe de digitale economie competitief blijft, speelt niet enkel op Europees niveau. Ook vanuit Nederlandse beleidsmakers komen voorstellen. Het past binnen de ‘techlash’, de terugslag van overheden om de macht van de grootste techbedrijven in te perken. Namens D66 nam Tweede Kamerlid Verhoeven in februari van dit jaar het initiatief om het mededingingsrecht te vernieuwen, zodat deze beter aansluit op de digitale economie. Ambtelijk was staatssecretaris Keijzer (EZK) al langer aan het onderzoeken of het huidige mededingingsrecht aansluit op de digitale markt. Nu zijn haar voorstellen samen met een reactie op het initiatief van Verhoeven gepubliceerd. Op Twitter reageerde Verhoeven verheugd met de opmerking dat het voorstel naadloos aansluit op de initiatiefnota van D66. Een nadere beschouwing van de voorstellen leert echter dat er, naast aanzienlijke beleidsinhoudelijke verschillen, ook een andere route wordt genomen. Deze beschouwing gaat dieper in op het verschil in politieke proces dat beide voorstellen nemen.

Maatregelen
Het doel van het mededingingsrecht is om verzekerd te zijn van effectieve concurrentie. Een machtspositie is binnen het mededingingsrecht niet verboden, maar misbruik van die dominante positie wel. Dit principe van het mededingingsrecht blijft bestaan in het voorstel van de staatssecretaris, maar het vereist volgens het ministerie herziening om toepasbaar te zijn binnen de digitale economie. Op verschillende punten wil de staatssecretaris het mededingingsrecht aanscherpen na een uitgebreide consultatieronde onder experts en belanghebbenden. Het kabinet stelt daarom een drietal maatregelen voor om het mededingingsbeleid toekomstbestendig te maken. De toezichthouder moet vooraf kunnen ingrijpen als een speler op de markt een positie krijgt waar anderen niet meer omheen kunnen. Daarnaast zal de rol van data worden meegenomen in de beoordeling. Als derde punt stelt de staatssecretaris voor om te werken aan nieuwe fusiedrempels die beter toegespitst zijn op de digitale economie. Drempels die met het oog op de positie van online platforms de concurrentiemogelijkheden bewaken en versterken.

Politieke route
De staatssecretaris is zich ervan bewust dat Nederland deze stappen niet alleen kan nemen, juist omdat het Nederlands mededingingsrecht in de kern Europees recht is. Op het eerste gezicht lijkt dit sterk op het voorstel van D66. In de uitvoering zit echter een groot verschil. De staatssecretaris gaat in grote lijnen mee met het voorstel van Verhoeven betreffende de Europese aanpak. In zijn initiatiefnota stelt Verhoeven dat de regering zich moet inspannen om het werkingsverdrag van de Europese Unie (VwEU) te herzien om het aan te sluiten op de nieuwe digitale markt. Het huidig verdrag is vastgelegd in 2009, een tijd waarin de meeste online platforms nog in de kinderschoenen stonden. Mededingingsartikelen Art. 101 en 102 VwEU sluiten volgens Verhoeven onvoldoende aan op de digitale economie die draait op (toegang tot) data en daarmee zijn de artikelen volgens Verhoeven toe aan modernisering. Herziening of opstelling van een nieuw Europees Verdrag is echter een politiek proces van de lange adem.

Het is ook de vraag of een dergelijke ingrijpende aanpak inhoudelijk het mededingingsrecht effectiever maakt. Het zijn namelijk niet de principes, maar het instrumentarium van het toezicht dat actualisatie behoeft. Daarentegen is volgens Verhoeven het instrumentarium zelf ook niet toereikend en stelt zijn initiatiefnota nieuwe wetgeving voor. De staatssecretaris geeft aan dat het Europees werkingsverdrag flexibel genoeg is beschreven om ook in 2019 dienst te doen op de digitale markt. Juist door de ruimere beschrijving is slechts actualisatie nodig in de toepassing ervan. Daarom stelt zij in haar brief voor om enkel de richtsnoeren, de handleiding van het mededingingsrecht, aan te passen op de realiteit van online markten. In deze richtsnoeren is momenteel namelijk nog niet opgenomen hoe toezichthouders de rol van data een plek kunnen geven in hun analyse van de markt en het vaststellen van mededingingseffecten.

Europees proces
Opvallend is wel dat de staatssecretaris niet nader ingaat op de vraag hoe het ministerie exact de richtsnoeren wil aanpassen. Het kan zijn dat de staatssecretaris nog de kaarten tegen de borst houdt. Europese collega’s van Keijzer uit Frankrijk en Duitsland komen immers ook met voorstellen voor het Europees mededingingsbeleid. De nieuw te vormen Europese Commissie moet echter nog met een voorstel komen voor aanpassing van de wetgeving. In aanloop naar dit voorstel is de staatssecretaris al wel in gesprek met meerdere landen om een meerderheid te vormen voor het aangepast mededingingsbeleid. Door te kiezen voor behoud van de kern van het mededingingsrecht en zich te richten op de interpretatie van de richtsnoeren, krijgt het kabinet naar verwachting in Europa sneller de handen op elkaar. Het kabinet kiest daarmee enerzijds voor handelend optreden gedurende deze kabinetsperiode en anderzijds voor een behoedzame, evenwichtige aanpak waarbij niet direct gegrepen wordt naar ingrijpende wetswijzigingen. Een balanceeract tussen overheid en markt waarbij het kabinet het midden probeert te vinden tussen de sterke roep vanuit oppositie en een deel van de maatschappij om iets te doen aan de grote techreuzen (de techlash) en de Nederlandse economische belangen die niet gediend zijn met te ingrijpende voorstellen waarvan onvoldoende bekend is welke impact het heeft op ons (grote) digitale ecosysteem. Pragmatisch handelen dat past bij de Nederlandse politiek.

Door Sander van Diepen & Roeland Coomans

Theateravond 2019: Slagerij van Kampen en Dröge & van Drimmelen – blijvend relevant in een dynamische tijd

Dinsdag 21 mei vond de jaarlijkse theateravond van Dröge & van Drimmelen plaats. 2019 is een feestelijk jaar voor Dröge & van Drimmelen en in het bijzonder voor directeur en oprichtend partner Frans van Drimmelen: het is dit jaar 20 jaar geleden dat hij het bureau heeft opgericht. Als culturele invulling van de avond stond dit jaar Slagerij van Kampen op het programma.

De feestelijke avond werd ingeluid met een welkomstwoord van Frans. Hij besteedde onder andere aandacht aan de Europese verkiezingen op donderdag 23 mei. Frans noemde daarbij ook de maatschappelijke zorgen die er zijn over de polarisatie en opvallende relatie tussen anti-Europese partijen die samenwerken om sterker te staan, maar niet willen samenwerken binnen de Europese Unie. Deze ontwikkelingen geven ook de taak om oor te hebben voor diegene die zorgen hebben over de toekomst.

Na welkomstwoorden richting de genodigden werd Frans als verrassing warm toegesproken door voormalig minister Ernst Hirsch Ballin. Hij roemde het prachtige jubileum van 20 jaar en de manier waarop Frans het kantoor heeft opgebouwd. In het bijzonder besteedde hij aandacht aan zijn maatschappelijke betrokkenheid in het vrijwilligerswerk: “Waarden zijn belangrijker dan belangen en inzicht is belangrijker dan indruk maken. Je weet dat het enige wat telt de inhoud is en dat een goede vormgeving daarbij kan helpen maar de schijn nooit de inhoud kan vervangen.”

Het culturele programma van de avond werd verzorgd door Slagerij van Kampen. De band speelde uitsluitend met slagwerkinstrumenten en wordt terecht gezien als de “godfather” onder de slagwerkgroepen. Dit was ook duidelijk merkbaar in hun spectaculaire optreden. Ze brachten een show ten gehore die het hele theater deed swingen (de voetjes gingen zelfs van de vloer) en die door een fantastische lichtshow en futuristische benadering van het instrumentarium nog extra werd benadrukt.

Hoewel een muzikaal optreden en de inzet van ons kantoor niet direct een voor de hand liggende connectie met elkaar hebben, heeft de geschiedenis van Dröge & van Drimmelen en Slagerij van Kampen dit wél: beiden weten al decennia achtereen relevant te blijven in een dynamische tijd. Slagerij van Kampen is opgericht in 1982 en heeft, hoewel de muzikanten inmiddels allemaal zijn vervangen, al die jaren zijn eigen kracht en positie in de Nederlandse én internationale muziekindustrie behouden.

In het public affairs vakgebied zijn er veel veranderingen geweest de afgelopen 20 jaar. Waar in de beginjaren van ons kantoor na Prinsjesdag de stukken fysiek konden worden opgehaald en er geeltjes werden geplakt bij de relevante passages, worden de publicatiewebsites nu verwoed in de gaten gehouden of er niet per ongeluk stukken gelekt zijn. Ook krijgen klanten nog dezelfde middag een uitgebreide analyse én worden de bijbehorende persberichten verstuurd. Dit voorbeeld laat zien hoe digitalisering en de bijbehorende opkomst van social media van invloed zijn geweest op de praktische kant van public affairs.

Ook op internationaal gebied zijn er parallellen tussen Slagerij van Kampen en Dröge & van Drimmelen. Door de jaren heen heeft Slagerij van Kampen zijn sporen verdiend in de internationale muziekindustrie en heeft Dröge & van Drimmelen uitgebreid naar Brussel en Shanghai. Deze internationale uitbreiding is belangrijk om onze klanten te kunnen voorzien van de juiste adviezen en ondersteuning. Regelgeving komt steeds vaker vanuit Brussel onze kant op terwijl er ook juist kansen zijn om vanuit Nederland de Europese regelgeving te beïnvloeden. Een mooie wisselwerking die wij graag ten volle benutten.

De afgelopen twee jaar heeft Dröge & van Drimmelen onderzoek gedaan naar de trends op het gebied van public affairs en deze onderzoeken naar buiten gebracht. Uit deze onderzoeken komt duidelijk naar voren dat het essentieel is om oog te hebben voor de maatschappelijke ontwikkelingen en hier op de juiste manier op in te spelen om relevant te blijven binnen ons vakgebied. Een kunst die Dröge & van Drimmelen inmiddels al 20 jaar beheerst. De opkomst van social media, burgerlobby en de totstandkoming van unieke coalities zijn tegenwoordig vaste onderdelen van het public affairs vak. Alleen door voorop te lopen in de ontwikkelingen van het vakgebied kunnen we ook in de toekomst zorg dragen voor een proactieve belangenbehartiging. Dit doen we altijd op een open en transparante manier. Oftewel zoals Frans aan het begin van de avond zei: “We helpen graag maatschappelijke problemen op te lossen en dat kan op verschillende manieren. Dat doen we met veel plezier en daarin zullen we voorop blijven lopen. Dat is onze belofte.”

Door Charlotte van Wezel

Regionale Energiestrategie (RES) binnen het ‘Huis van Thorbecke’

Het klimaatakkoord krijgt lokaal steeds meer vorm. Verspreid over het gehele land zijn gemeenten aan het onderhandelen richting een Regionale Energiestrategie (RES). Niet door debat binnen de gemeentegrenzen, maar via overleg met buurgemeenten. Zo ontkomt geen gemeente aan zijn bijdrage aan de energietransitie. Het roept wel vragen op over de lokale democratie. Is er behoefte aan nog een regionaal samenwerkingsverband? Is dit een nieuwe bestuurslaag? En voor de bestuurskundigen onder ons: hoe past dit binnen het ‘Huis van Thorbecke’?

RES
Om een lokale vertaling te maken van de nationale afspraken uit het Klimaatakkoord is het land opgedeeld in dertig RES-regio’s. Juist door het lokaal uitwerken van de afspraken verwachten de beleidsmakers meer maatschappelijk draagvlak voor de keuzes. Bestuurders vanuit gemeenten en waterschappen moeten het komende jaar samen een plan opstellen om in hun gebied de energie te verduurzamen. De opgaven naar de energietransitie kennen geen grenzen. Toch is afgesproken dat geen van de dertig RES-regio’s over de provinciegrenzen heen gaan. Zo zal de energietransitie zich houden aan onze historische staatsstructuur die stamt uit de tijd dat de industriële revolutie nog op stoom moest komen.

Huis van Thorbecke
Volgens onze Grondwet hebben we drie bestuurslagen: het Rijk, de provincies en de gemeenten. Deze verticale spreiding van onze staatsmacht staat bekend als het Huis van Thorbecke. Nu is er sinds 1848 regelmatig geklust aan dit huis. Met de komst van de Europese Unie is er een verdieping op gezet. Wordt hier met de komst van de RES een laag tussen gevoegd, of is er iets anders aan de hand? Voor alle drie de verdiepingen van het Huis van Thorbecke gaan we naar de stembus. Gezien we ook stemmen voor het Europees parlementen de waterschappen is dit niet het enige criterium voor een verdieping in het Huis van Thorbecke. De drie bestuurslagen die ons land kent, hebben hiermee wel een democratisch mandaat gekregen om beslissingen te maken over de burgers. De aankondiging van de RES enkele jaren geleden deed om deze reden het nodige stof opwaaien bij de bestuurskundigen. Er wordt niet direct voor gestemd, dus mogen deze bestuurders wel beslissingen nemen? Nu de uiteindelijke vormgeving van de dertig RES-regio’s bekend is, blijkt dit niet het geval. Er worden geen beslissingen genomen, aangezien de gemeenteraad het laatste woord blijft houden. Probleem opgelost, zo lijkt.

Samenwerkingsverbanden
Een dergelijk alternatief voor een nieuwe bestuurslaag is niet iets nieuws, noch een unicum. De laatste jaren hebben de gemeentelijke samenwerkingsverbanden een vlucht genomen, met name door de decentralisatie. Gemiddeld zijn er 27 samenwerkingsverbanden per gemeente. Deze trend gaat niet gepaard zonder de nodige zorgen. Een onderzoek uit 2014 kaartte al eens aan dat driekwart van de raadsleden de samenwerkingsverbanden als een gevaar voor de lokale democratie ervaart en 44% gaf aan onvoldoende kennis te hebben om controle uit te oefenen. Door deze samenwerkingsverbanden wordt het voor raadsleden alsmaar moeilijker om de keuzes van het College van B&W te controleren en daarop invloed uit te oefenen. Zeker waar een groot aantal gemeenten betrokken zijn met verschillend formaat. Raadsleden en wethouders krijgen minder greep op de vorming van het beleid en de uitvoering ervan. Uit de opeenstapeling van al die overlappende samenwerkingsverbanden volgt de nodige bestuurlijke drukte. Besluiten blijken al genomen, men mag enkel tekenen bij het kruisje en het roept onbehagen op over de democratische legitimiteit.

Om meer grip te krijgen op de samenwerkingsverbanden werkt minister Ollongren aan de mogelijkheid om een ‘gele kaart’ in te voeren. Een gele kaart – om besluiten te heroverwegen –  wordt mogelijk voor alle soorten samenwerkingen die onder de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) vallen. In die wet is vrijwillige samenwerking de maatstaf. De vraag is echter of een RES-regio zich mag scharen onder de samenwerkingsverbanden uit de regeling, aangezien het een ‘verplicht vrijwillige samenwerking’ betreft.

Wordt vervolgd
De mogelijkheden voor gemeenteraden om controle uit te oefenen zijn beperkt of onduidelijk. De vorming van de RES lijkt een behoorlijk technocratische exercitie te worden voor lokale bestuurders. De klimaatafspraken krijgen lokaal steeds meer vorm, maar dat gaat gepaard met de nodige vragen over de lokale democratie. Bestuurders kunnen het resultaat enkel ter kennisgeving voorleggen aan de gemeenteraad. Reacties en zienswijzen worden opgehaald, maar gedegen controle-, verantwoordings- en sturingsmechanismen lijken te ontbreken. Dit vraagt alertheid vanuit de lokale volksvertegenwoordiging. Juist voor het vinden van het maatschappelijk draagvlak is hun democratische controle op het proces een vereiste. Bovenal is het interessant om de discussie te blijven volgen, ook wanneer de woordvoerders uit de Tweede Kamer op 27 juni met elkaar in debat gaan over het versterken van de lokale democratie.

Door Sander Des Tombe & Sander van Diepen

De Conferentie NL Digitaal: Klaar met denken, tijd voor doen

Digitalisering van economie en maatschappij biedt enorme kansen, maar er is ook een groot aantal uitdagingen die vragen om richting en het maken van duidelijke keuzes. Welke rol moet de overheid pakken in het structureren van de digitale economie? Kunnen bedrijven verplicht worden gesteld om data te delen? En welke rol moeten de verschillende stakeholders spelen in het voorbereiden van de volgende generatie op de digitale toekomst? Vraagstukken waarover veel is gediscussieerd tijdens de Conferentie NL Digitaal, maar waarop op de slotdag van de conferentie niet altijd eenduidige antwoorden zijn gekomen of keuzes zijn gemaakt. Wel zijn er diverse intentieverklaringen getekend en is afgesproken om in publiek-privaat verband verder na te denken over deze en andere belangrijke vraagstukken rondom digitalisering. Dat is nodig wil het kabinet de uitgesproken ambitie om digitaal koploper van Europa te worden waarmaken.

Breed aanbod aan thema’s
Op de slotdag van de conferentie vond de bestuurlijke ‘Nederland Digitaal Dag’ plaats. De  genodigden uit het bedrijfsleven, de wetenschap en de overheid vormden een kleurrijk publiek, allen geïnteresseerd in de grote vraag hoe Nederland nog beter kan inspelen op digitalisering. Uit de opzet van de conferentie blijkt wel hoe ver onze maatschappij inmiddels is doordrongen door de digitale revolutie. Onderwijs, gezondheidszorg, sociale inclusiviteit; anno 2019 heeft praktisch elk maatschappelijk dossier een eigen digitale component. De brede maatschappelijke impact van digitalisering kwam in vrijwel elke sessie op de conferentie terug. Vele onderwerpen die raken aan de
digitaliseringsstrategie van de overheid kwamen langs – uiteenlopend van maatschappelijke onderwerpen als inclusiviteit en digitale grondrechten tot economische kansen op het gebied van bijvoorbeeld Artificial Intelligence en Smart Cities.

Een van de sessies was gericht op de moderne aanpak van illegale online content. Hoewel het vervelende – maar urgente – onderwerp enigszins uit de pas liep met de positieve verhalen over innovatie en nieuwe economische kansen, was de conclusie van de sessie erg opbeurend. De aanpak van illegale content online is een perfect voorbeeld van succesvolle publiek-private samenwerking. Deze aanpak is grotendeels gestoeld op het initiatief vanuit de sector zelf, aangevuld door een juridische component vanuit de overheid. De synergie tussen relevante stakeholders – uiteenlopend van het bedrijfsleven tot politie en OM – levert uiteindelijk een eindproduct dat beter geschikt is om de strijd tegen illegale content aan te gaan.  Andere sectoren kunnen aan deze vorm van publiek-private samenwerking een voorbeeld nemen.

De kabinetsvisie op datadeling kwam ook in één van de sessies als onderwerp terug. Den Haag is hier – zoals we eerder schreven – verdeeld over. Directeur-generaal Bedrijfsleven en Innovatie Focco Vijselaar (EZK) lichtte de visie toe: iedereen profiteert van datadeling, het vindt bij voorkeur vrijwillig, maar zo nodig verplicht plaats en mensen en bedrijven moeten controle over hun gegevens houden. Aanwezigen zagen in data een belangrijke grondstof in de 21e eeuw. Data gaat naar aller waarschijnlijkheid maatschappijbreed voor optimalisatie van diensten en producten zorgen en is een bron van innovatie. Het belang ervan werd door aanwezigen echter ook genuanceerd; zo gaat de – te vaak – gemaakte vergelijking met olie niet op. Data is immers voor meerdere partijen tegelijkertijd toegankelijk en wijdverspreid aanwezig. Het is eerder de ordening en in grotere mate de analyse en het begrip ervan die data tot een waardevolle ‘grondstof’ kan maken. Veel partijen kijken daarom met grote belangstelling naar de manier waarop het ministerie van EZK de visie op datadelen naar de praktijk gaat vertalen. Al kan ook hier het bedrijfsleven een proactieve rol spelen.

Toenemende aandacht voor digitalisering
De conferentie is een mooi voorbeeld van de toenemende aandacht van het kabinet-Rutte III voor de grote digitale ontwikkelingen van deze tijd. In het regeerakkoord refereerde de coalitie al naar het digitale koploperschap in Europa. Deze ambitie werd afgelopen zomer verder bekrachtigd door staatssecretaris Keijzer (EZK) bij de presentatie van de eerste
Nederlandse Digitaliseringsstrategie. Ook andere bewindspersonen hebben de afgelopen anderhalf jaar steeds meer aandacht voor de digitale component binnen hun vakgebied – zo blijkt bijvoorbeeld uit de Cybersecurity Agenda van minister Grapperhaus (J&V), de Digitale Transportstrategie van minister van Nieuwenhuizen (I&W) en de Agenda DIGIbeter van staatssecretaris Knops (BZK),

Dit gehele pakket aan maatregelen en initiatieven is slechts een eerste stap naar een uitgewerkte visie op de digitale sector. Maar deze kabinetsbrede visie op de digitale sector is nog lang niet compleet. Zo wachten we nog op de kabinetsagenda Artificial Intelligence. En op welke manier creëren we een Europese tegenhanger voor Sillicon Valley en haar Chinese equivalent? De enorme stappen die we in de afgelopen vijf jaar hebben gezet in het klimaatvraagstuk laten zien dat het mogelijk is om in relatief korte tijd flinke vooruitgang te boeken.

De digitale toekomst van Nederland
Een belangrijk en onbeantwoord vraagstuk is waar de digitale ambities van Nederland – en de Europese Unie – precies liggen en wat de rol van de overheid hierin zou moeten zijn. Willen we vol inzetten op digitale innovatie en ruimte in regelgeving creëren om dit mogelijk te maken? Of zetten we juist in op strengere regulering waarbij veel aandacht is voor publieke waarden en de ethische aspecten van nieuwe technologieën zoals AI? Het feit dat de technologieën van morgen vandaag nog niet
up and running zijn, wil nog niet zeggen dat we niet kunnen filosoferen over welke waarden we verkiezen boven de keerzijden van een volledig vrije markt of een volledige top-down economische benadering. Deze vraagstukken verdienen aandacht waarbij zorgvuldig gezocht moet worden naar het ideale equilibrium. Juist Nederland lijkt uitstekend gepositioneerd om hier een eigen weg in te kiezen waarbij een goede balans tussen economische groei, het waarborgen van grondrechten en het behoud van eigen identiteit, mogelijk moet zijn.

Nederland kan tevens een voortrekkersrol spelen in Europa. Opvallend was dat voor deze rol in Europa (te) weinig aandacht leek te zijn tijdens de slotdag van NL Digitaal. Uiteraard is het belangrijk dat Nederland een duidelijke strategie voor ogen heeft, maar daarbij kunnen we onze ogen niet sluiten voor de ontwikkelingen in het buitenland en de rol die Nederland kan spelen in het internationale speelveld. Met het komende vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (EU) is de potentie voor Nederland om een voortrekkersrol te spelen op het gebied van digitalisering mogelijk nog groter geworden. Hoe die rol eruit ziet en wat de speerpunten zijn van ons land in Europa, had hoger op de agenda mogen staan tijdens de slotdag.

Al met al is de Conferentie Nederland Digitaal een positieve ontwikkeling in het creëren van meer aandacht en bewustzijn voor onderwerpen uit de digitale sector. Op dit soort evenementen kan het debat worden aangezwengeld, kunnen nieuwe inzichten uit de sector met een breed publiek worden gedeeld en kunnen relevante partijen met elkaar in contact komen. Op dit moment wordt er veel gepraat in publiek-privaat verband, maar uiteindelijk moeten alle partijen zelf keuzes maken en stappen zetten. Want alleen als alle relevante partijen hun eigen rol (h)erkennen en aannemen kan de digitale transitie daadwerkelijk plaatsvinden.

Door: Ewout Tenhagen en Roeland Coomans

Den Haag verdeeld over datadeling

Een paar jaar geleden begon de opmars van de tech lash, de terugslag tegen de grote techbedrijven als Amazon, Alphabet, Apple, Microsoft en Facebook. Het succes van deze bedrijven gaat gepaard met maatschappelijke zorgen over hun macht. Overheden ervaren druk om met maatregelen te komen om deze bedrijven aan te pakken. Een veelgehoord voorstel is om datadeling verplicht te stellen. Afgelopen week heeft het kabinet een visie over datadeling gepubliceerd en D66 een techvisie 2.0. Daarom komt dit onderwerp binnenkort ook aan bod in de Tweede Kamer. Uit de discussie tot nu toe blijkt dat verplichte datadeling op het eerste gezicht een goede maatregel lijkt en aanslaat bij politici, maar dat sommige economen twijfelen over het nut en de noodzaak ervan. In het politieke debat moet een balans gevonden worden tussen de politieke wil om de macht van big tech bedrijven aan te pakken en de noodzaak van zorgvuldige wet- en regelgeving. Bedrijven, zowel groot als klein, die gebruik maken van data doen er goed aan om tijdig te laten zien hoe zij met data omgaan en wat een maatregel als verplichte datadeling voor hen zou betekenen.

Terugblik
Hoewel vorige week twee voorstellen omtrent datadeling zijn gepubliceerd, is het geen nieuwe discussie. Een van de eerste keren dat we het ministerie van Economische Zaken over verplichte datadeling hebben gehoord, was toen secretaris-generaal Maarten Camps in januari 2018 in het vakblad voor economen ESB stelde dat het delen van data het nieuwe uitgangspunt moet worden. Het is opvallend dat hij als secretaris-generaal op eigen titel hiervoor pleitte, terwijl het geen staand beleid van het ministerie was. Een paar maanden later publiceerde het ministerie van Economische Zaken de Nederlandse Digitaliseringsstrategie, waarin staat dat verplichte datadeling ook negatieve gevolgen kan hebben, onder andere voor privacy en innovatie. Het ministerie besloot daarom onderzoek te doen naar de voor- en nadelen van verplicht datadelen en daarna een kabinetsvisie te publiceren.

Uit de discussie die volgde bleek dat men het niet eens is over het nut, de wenselijkheid en de praktische uitvoerbaarheid van verplichte datadeling. In een ESB-artikel krijgt Maarten Camps steun van drie van zijn eigen beleidsmedewerkers. Zij betogen dat bij exclusief gebruik van gegevens veel potentiële waarde verloren kan gaan, zeker wanneer er sprake is van marktmacht. Ook de economen van Tilburg Universiteit Inge Graef en Jens Prufer staan positief tegenover datadeling, omdat in sommige sectoren verplichte datadeling kan voorkomen dat datagedreven markten omslaan naar een monopolie. De Europese betalingsrichtlijn PSD2 geeft derde partijen bijvoorbeeld de mogelijkheid om met expliciete toestemming van rekeninghouders bij banken toegang te krijgen tot rekeninginformatie om zo te zorgen voor een gelijk speelveld in het bankwezen.

Hoewel PSD2 een voorbeeld is van sectorspecifieke verplichte datadeling, bleek bij de omzetting van deze richtlijn in nationale wetgeving eerder dit jaar dat sommige Kamerleden zich juist zorgen maken of een dergelijke verplichting niet juist leidt tot meer marktdominantie van de grote techbedrijven in plaats van minder. Mahir Alkaya (SP) vreest bijvoorbeeld dat bedrijven als Google en Facebook zich ook in deze markt gaan begeven en zodoende nog meer gegevens krijgen en daardoor nog machtiger worden.

Opvallend is de stellingname van de toezichthouder ACM in deze discussie. In tegenstelling tot Maarten Camps zijn zij geen voorstander van verplicht datadelen. Zij stellen dat het effect van verplichte datadeling op innovatie onzeker is en per geval verschilt. Datadeling kan innovatie niet alleen stimuleren, maar ook schaden. Het mededingingsrecht volstaat omdat de toezichthouder onder redelijke voorwaarden datadeling al kan verplichten. Aanvullende regulering als een algemene verplichting tot datadeling is volgens hen dus niet wenselijk en niet nodig.

Afgelopen week (woensdag 20 februari 2019) heeft het ministerie van Economische Zaken een kabinetsvisie gepubliceerd over datadeling tussen bedrijven. De visie is over het algemeen genuanceerd en gebalanceerd, waarbij het kabinet de voor- en nadelen tegen elkaar afweegt. De conclusie is dat datadeling bij voorkeur vrijwillig, maar zo nodig verplicht tot stand komt. Mocht het kabinet overgaan tot verplichte datadeling, komt er eerst een consultatie met belanghebbenden en een grondige analyse over een dergelijke plicht. De visie van het kabinet staat in contrast met de voorstellen van Tweede Kamerlid Kees Verhoeven (D66), die op dezelfde dag zijn nieuwe Techvisie 2.0 presenteerde. Hij wil de macht van datamacht van techreuzen inperken door datadeling zowel ex-ante als ex-post verplicht te stellen, zoals ook blijkt uit zijn initiatiefnota.

Vooruitblik
In de hiervoor geschetste discussie over verplichte datadeling, valt op dat de analyses van economen en de positie van sommige politieke partijen uiteenlopen. Waar sommige economen twijfelen aan het nut en de noodzaak van verplicht datadelen, stelt Kees Verhoeven (D66) dat het noodzakelijk is om de datamacht van techreuzen in te perken. Een mogelijke verklaring voor deze discrepantie is dat politici door de tech lash druk ervaren om de macht van grote techbedrijven aan te pakken en verplicht datadelen hiervoor op eerste gezicht een goede maatregel lijkt.

Binnenkort komt datadeling aan bod in de Tweede Kamer. Onder andere tijdens het notaoverleg over de initiatiefnota van Kees Verhoeven en tijdens het algemeen overleg waar de kabinetsvisie over datadeling wordt geagendeerd. Dan moet een balans gevonden worden tussen de politieke wil om de macht van big tech bedrijven aan te pakken en de noodzaak van zorgvuldige wet- en regelgeving.

In aanloop naar het politieke debat over datadeling, doen bedrijven er goed aan om beleidsmakers en politici te informeren over hoe zij omgaan met data. Dit geldt niet alleen voor de big tech bedrijven waar deze maatregel ogenschijnlijk voor bedoeld lijkt te zijn, maar ook voor de kleinere bedrijven waar een dergelijke maatregel disproportioneel veel impact kan hebben op de bedrijfsvoering. Het zou daarom goed zijn om meer voorbeelden te geven over vrijwillige initiatieven van bedrijven om data te delen. In veel discussies over datadeling wordt de rol van dataportabiliteit bijvoorbeeld niet meegenomen, terwijl dit wel degelijk kan bijdragen aan concurrentie en innovatie. Dergelijke informatievoorziening draagt mogelijk bij aan een genuanceerder politiek debat over datadeling.

Door Isabelle van Rossum & Roeland Coomans