Categorie archieven: Blog

Sigrid Kaag: Public Affairs moet zich inzetten voor het grotere belang

"_DSC1031.JPG"6 september 2016

‘De wereld is te klein om weg te kijken. Iedereen is nodig rond de tafel in het streven naar een juiste oplossing. Vrede en veiligheid raken immers iedereen,’ aldus topdiplomate Sigrid Kaag afgelopen maandag tijdens de vijfde Ben Pauw lezing. Kaag was keynote speaker bij de lustrumlezing, die jaarlijks wordt georganiseerd door public affairsbureau Dröge & van Drimmelen.

Tijdens de lezing gaf Kaag aan dat er volgens haar wereldwijd momenteel drie grote vraagstukken spelen: migratie, klimaat en vrede en veiligheid. Deze grote vraagstukken behoeven volgens haar ‘een volledige inzet van alle spelers op het wereldtoneel.’ Dit vereist dus ook ‘een public affairs inzet voor het grotere belang,’ aldus Kaag.

In haar functie als speciaal VN-coördinator zet Sigrid Kaag zich in voor een permanente wapenstilstand tussen Israël en Libanon. Eén op de drie inwoners van Libanon is vluchteling. De grenzen aan opvang in de regio zijn daarmee volgens haar bereikt. Eerder diende Kaag als Speciaal Coördinator voor de OPCW-VN missie ter verwijdering van de chemische wapens in Syrië. 

De inzet van Sigrid Kaag op dit dossier en haar werkzaamheden in vorige functies worden wereldwijd gewaardeerd en opgemerkt. Vlak voor de Ben Pauwlezing werd bekend dat Sigrid Kaag de prestigieuze Carnegie Wateler Peace Prize ontvangt. Deze prestigieuze vredesprijsis nauw verbonden aan het Vredespaleis in Den Haag. Eerdere winnaars waren onder andere Max van der Stoel, Unicef en War Child.

 

"_DSC1063.JPG"

Meer vertrouwen in technologie

14 juli 2016 – “Het schort bij overheid, politiek en betrokken professionals aan vertrouwen in nieuwe ICT technologie, kunnen jullie ons helpen?”, zo kwam een groot bedrijf naar ons toe met een concrete vraag. 

Zo is er bijvoorbeeld de zorgsector waar, ondanks al jarenlange pogingen van overheid en sector zelf, de kosten nog steeds verder toenemen en innovaties onvoldoende tot hun recht komen. Vernieuwende technologie kan daarbij een prima rol kunnen spelen. Het kan de efficiëntie in de zorg verbeteren en daarmee ook de kosten van de zorg voor overheid en patiënten doen afnemen. Toch zijn veel zorgprofessionals argwanend en vertrouwen zij de technologische middelen niet. Zo wil men bijvoorbeeld niet in de Cloud werken. ICT-systemen en informatie worden niet met elkaar uitgewisseld vanwege vermeende privacy redenen. Daarnaast worden noodzakelijke vernieuwingen niet doorgevoerd, terwijl er wel veel beschikbaar is. 

Het is niet eens zozeer de wetgeving die achterblijft. Immers, er is inmiddels de nodige wetgeving die helderheid biedt over privacy-eisen. Ondanks dat wetgeving het opslaan van data in de cloud wel toestaat, zijn ziekenhuizen terughoudend omdat het vertrouwen mist in de cloudtechnologie. Politici weten doorgaans ook wat er te koop is op de markt en dat men over de grenzen heen, bijvoorbeeld in enkele buurlanden, al voortvarender is met ICT in de zorg. Het betekent dat er binnen zorginstellingen, bij beroepsorganisaties, maar ook bij patiënten- en consumentenorganisaties nog het nodige “zendingswerk” moet worden verricht om hen ervan te overtuigen dat technologie geen bedreiging is, maar een kans en ook een “must”.

Een ander pregnant voorbeeld van gebrek aan vertrouwen in technologie doet zich voor bij ons democratisch stemproces in Nederland. Sinds er in 2006 technische onregelmatigheden werden geconstateerd bij de verkiezingen, en door wetenschappers en actiegroepen de discussie werd geopend over de betrouwbaarheid (en traceerbaarheid van gegevens) van stemcomputers, stemmen we weer als vanouds met het rode potlood. Het lijkt er sterk op, zo merk je samen met je opdrachtgever, dat Ministerie en Kamerleden huiverig staan ten opzichte van technologie. Ook al kunnen gespecialiseerde bedrijven met top expertise en reputatie elders in de wereld voldoen aan alle eisen en standaarden, wordt alsnog verhinderd dat in Nederland stemcomputers worden ingezet bij verkiezingen. Ook merk je dat de overheid huiverig is om met het bedrijfsleven te overleggen welke specificaties nodig zijn en wat er technisch uitvoerbaar en mogelijk is. In de ambtelijke binnenkamers worden eisen en technische aanbestedingsdocumenten opgesteld. Echter, gespecialiseerde bedrijven (en laat staan maatschappelijke partijen en hun ervaringskennis) worden daar vaak buiten gehouden.

Als public affairs adviseur heb ik samen met onze opdrachtgevers analyses gemaakt, geprobeerd bij stakeholders feiten en misverstanden uit elkaar te halen, en een aantal overtuigende praktijkervaringen gepresenteerd. Vanuit ons vak geredeneerd gaat het om: het slechten van barrières, het verbinden van publieke en private sector, inzicht bieden in de manier van werken en de juiste personen bij elkaar brengen. Ik vind het mooi en eervol om vanuit mijn vak te kunnen helpen en het vertrouwen te vergroten in betrouwbare technologie. Daar worden we immers allemaal beter van.

 

Jurist of lobbyist?

3 juni 2016

“Van huis uit is ze jurist, maar als ik naar haar kijk zie ik meer een lobbyist.” Toen ik de Universiteit van Amsterdam verliet zei mijn toenmalige hoogleraar Europees recht dit over mij. Had ze gelijk en ben je óf jurist óf lobbyist?

Hoewel public affairs in Nederland vaak wordt gezien als communicatiediscipline, heeft het vak wel degelijk raakvlakken en zelfs overeenkomsten met disciplines uit de juridische wereld. Legt de Algemene wet bestuursrecht bijvoorbeeld beperkingen op bij het aannemen van nevenfuncties? Of op welke manier werpt de Raamovereenkomst Verpakkingen belemmeringen op de recycling van houten pallets? Dit zijn slechts enkele voorbeelden van vragen die je als public affairs professional kunt tegenkomen en waarbij zowel een politieke als juridische analyse gewenst is.

Alleen door gedegen kennis van processen en procedures in het staatsrechtelijk bestel, en met name van de bestuurlijke en politieke besluitvormingsprocessen, kun je als public affairs professional in staat zijn op tijd bij de juiste personen, met de juiste boodschap terecht te komen. Mijn ervaring bij Dröge en van Drimmelen tot nu toe onderschrijft dit volledig. Ik heb gemerkt dat zonder kennis van besluitvormingsprocessen het bijna onmogelijk is om belangen van klanten te behartigen richting politiek, overheid en maatschappelijke omgeving. Overigens wordt – anders dan in Nederland – bij organisaties uit Angelsaksische landen public affairs veel meer aan de juridische discipline verbonden. Public affairs betekent in deze landen, naast belangenbehartiging, in sommige gevallen ook een voorportaal of voorbereiding van een gang naar de rechter. Ook in Nederland speelt de juridische benadering een rol bij public affairs werkzaamheden, maar het verband was tot nu toe een stuk minder sterk.

Waar mijn collega’s gespecialiseerd zijn in onderwerpen als ICT of duurzaamheid, wil ik als jurist een specifieke bijdrage leveren door mijn kennis van wetgeving en jurisprudentie.

Op de vraag, of mijn hoogleraar destijds gelijk had moet ik een ontkennend antwoord geven. Ik ben niet jurist óf lobbyist maar allebei. Resultaat bereiken voor klanten vormt mijn drijfveer. Dat start met begrijpen waar voor hen politieke én juridische kansen liggen.

Karsu verbindt!

18 mei 2016

Op dinsdagavond 17 mei vond de 14e theateravond van Dröge & van Drimmelen plaats in theater Dilligentia. Deze avond is inmiddels een mooie traditie met afwisselend gevestigde theatermakers, aanstormend talent en ruime gelegenheid om te netwerken.

Tijdens eerdere theateravonden stonden onder andere Pieter Derks, Wende Snijders, Louise Korthals en het Nederlands Dans Theater II op het podium. Dit jaar trakteerde de Nederlands-Turkse zangeres Karsu de gasten op een gevarieerd programma van zwoele Jazz tot een Turkse song en eigengemaakte covers van Prince en Usher. Eerder stond Karsu al in Carnegie Hall, Jazz in Duketown, North Sea Jazz en trad ze ter gelegenheid van 200 jaar Staten-Generaal op in de Ridderzaal. Karsu is begin mei genomineerd voor de Edison publieksprijs.

Voorafgaand aan het optreden van Karsu sprak Frans van Drimmelen over het belang van verbinden. Alleen door samen te werken versterken we de democratie. De werkwijze van Dröge & van Drimmelen kenmerkt zich door het verbinden van partijen en het transparant maken van verschillende belangen. Met deze aanpak hoopt Dröge & van Drimmelen bij te dragen aan het vertrouwen in politiek, media en public affairs in tijden waarin polarisatie de boventoon voert. Ook tijdens het optreden van Karsu stond het thema verbinden centraal. Hoewel Turkse mannen hun liefde veel poëtischer uitdrukken dan Nederlandse mannen is liefde, net als haar muziek, universeel.

"dr2new    "dr2new

"Dr2"

Openheid van de overheid: wat betekent het voor public affairs

12 mei 2016

Op 19 april stemde een ruime Kamermeerderheid voor de Wet open overheid, een initiatiefwetsvoorstel van Linda Voortman (GL) en Steven van Weyenberg (D66). Alleen de VVD en het CDA stemden tegen de wet. Het wetsvoorstel ligt nu ter behandeling in de Eerste Kamer. Ik zal in dit stuk kort voor u toelichten wat de essentie van de wet is, welke partijen voor- en tegenstanders zijn en wat de gevolgen zijn voor de public affairs professional.

De wet

In de Memorie van toelichting staat dat “Het doel van deze wet is om overheden en semioverheden transparanter te maken, om zo het belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische rechtsstaat, de burger, het bestuur en economische ontwikkeling beter te dienen.” Het voorstel “verplicht dat bepaalde categorieën informatie in ieder geval uit eigen beweging worden geopenbaard en dat overheden een register bij houden van (een deel) van de documenten en datasets waarover zij beschikken. Ook moet de informatie elektronisch en machineleesbaar en daarmee geschikt voor hergebruik toegankelijk worden gemaakt. Daarnaast wordt de reikwijdte flink verbreed ten opzichte van de huidige Wob. Alle overheidsorganen, dus ook de Staten-Generaal en de Raad van State, gaan onder deze wet vallen, evenals semipublieke instellingen. […] De uitzonderingsgronden om informatie geheim te houden worden aangescherpt.” 

De voor- en tegenstanders

De voorstanders van de wet hebben op 14 april een brief geschreven aan de Tweede Kamer om voor het voorstel te stemmen. In totaal ondertekenden 37 vertegenwoordigers van organisaties voor journalistiek, democratie, openheid en transparantie de brief. De wet bevordert proactieve deling van informatie, verbetert de kwaliteit van informatie en is goed voor economische ontwikkeling en innovatie. Daarnaast zou een gebrek aan transparantie tot financiële risico’s leiden. De grootste weerstand kwam van de VNG en de VNO-NCW. De VNG is het niet eens met de wet in de huidige vorm. VNG pleit voor transparantie en openheid maar wel tegen redelijke kosten en binnen een uitvoerbaar wettelijk kader. In de ogen van de VNG is de Wet open overheid te duur en onuitvoerbaar. Daarnaast hebben bestuurders behoefte aan vertrouwelijk overleg. Als alle vertrouwelijke gesprekken in informatieregisters zouden komen, dan belemmert dat het democratische besluitvormingsproces. De VNO-NCW is bang dat bedrijven geen vertrouwelijke informatie meer met overheden durven te delen omdat deze informatie openbaar kan worden gemaakt. VNG en VNO-NCW hebben aangegeven om te proberen de Eerste Kamer te overtuigen om de wet tegen te houden.

Gevolgen voor de Public Affairs professional

De Wet open overheid zal enkele gevolgen hebben bij de werkzaamheden van Public Affairs professionals. Hoewel de wet ook gevolgen heeft voor de Staten Generaal, zal de Wet de meeste impact hebben op de informatievoorziening vanuit de Rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen. De informatie vanuit de Staten Generaal is immers bijna altijd openbaar. Het wordt nu alleen in andere vormen aangeleverd. In "" deze bijlage staan alle categorieën onderwerpen die overheden en semi-overheden actief openbaar moeten maken. De meeste onderwerpen worden openbaar gemaakt in een elektronisch register per overheid of overheidsorganisatie. Voor onderwerpen die niet in het register staan zal wordt aangegeven hoe men om toegang kan verzoeken. De public affairs professional zal meer informatie dus eenvoudiger kunnen vinden. Net zoals met het gebruik van Google, een bibliotheekcatalogus of andere registers is het vaak handig of zelfs noodzakelijk om enige vaardigheid en oefening te hebben bij het zoeken. Omgang met zoeken in digitale registers zal een nuttige vaardigheid zijn voor een public affairs professional.

De vergaderstukken van alle overheden en hun commissies en de besluitenlijsten en agenda’s van de ministerraad, gedeputeerden staten, colleges van burgemeesters en wethouders en dagelijkse besturen van waterschappen moeten actief openbaar worden gemaakt. Dit houdt in dat er meer inzicht komt in de besluiten van publieke besluitvormers en het belang van verschillende onderwerpen op hun agenda’s. Daarnaast betekent het dat ook vergaderingen met PA professionals openbaar gemaakt mogen worden. Dat maakt het voor public affairs professionals des te belangrijker om transparant te werk te gaan, zodat er geen ruimte is voor misverstanden bij het berichten over de inbreng van de public affairs professional.

Net zoals bij de Wet openbaar bestuur blijft passieve openheid nog steeds deel van de open houding van de overheid. Met passieve openheid bedoelen we dat burgers of organisaties zelf een beroep kunnen doen op de overheid voor het vrijgeven van informatie. Een deel van de procedurele problemen bij de Wob worden opgelost door verscherping van de procedures en regels. Verder blijft de procedure grotendeels hetzelfde en zal een informatiecommissaris voorlichting geven aan het publiek en organen over de openbaarheidspraktijk. De informatiecommissaris kan een verhoogd kennisniveau over openbaarheidswetgeving bewerkstelligen en tegenwicht bieden tegen de neiging van overheden om de informatiestroom te beheersen. Voor een public affairs professional kan dit een middel zijn om overheden te wijzen op hun verplichting tot actieve openheid en zo het bereik tot meer informatie te vergroten.

Concluderend

Bij overheden zal de wet een radicale verandering teweeg brengen als het gaat om het delen van informatie. De wijze van uitvoering is nog onbekend en gemeenten in het bijzonder lijken er weinig zin in te hebben. Dit heeft enkele in mijn ogen beperkte gevolgen voor public affairs professionals zoals de manier waarop informatie wordt gevonden, inzicht kan worden verkregen over besluitvorming en passieve openheid kan worden afgedwongen.

Lobbyblog – ‘Rol media in lobbypraktijk onderbelicht’

1 april 2016

Op uitnodiging van de Volkskrant schrijft Audrey Keukens een blog over de rol van de media in public affairs. Dit stuk is ook gepubliceerd op vk.nl.

Met veel plezier heb ik de laatste maanden de blog ‘Lobbyland’ gelezen. Als public affairs adviseur soms met kromme tenen en soms met een glimlach. In de blog van 17 maart refereerde Ariejan Korteweg aan de bijeenkomst die de Beroepsvereniging voor Public Affairs (BVPA) op 15 maart organiseerde over lobbyen en het openbaar bestuur. Tijdens die bijeenkomst, waar Korteweg één van de inleiders was, vroeg ik wat de rol van de media is in de belangenbehartiging. Deze vraag stelde ik aangezien ik de rol van de media in een groot aantal dossiers zeer groot vind en die kant tot nu toe niet belicht is in de reeks ‘Lobbyland’.

Het is jammer dat de rol van de media in lobbyland tot nu toe onderbelicht is gebleven want in veel gevallen werken journalisten en public affairs adviseurs naast elkaar op hetzelfde terrein. Media en public affairs adviseurs vormen beiden een verbinding tussen politiek en maatschappij en dragen daarom een vergelijkbare verantwoordelijkheid om dat op een goede manier te doen. Waar public affairs adviseurs het belang van hun werkgever of opdrachtgever behartigen, beïnvloeden media beleidsmakers en politici door hun berichtgeving. Voor beiden geldt het adagium open en transparant te zijn over hun werkwijze en het belang dat zij vertegenwoordigen. Voor de public affairs adviseur betekent dit dat hij/zij altijd duidelijk maakt welk belang hij/zij vertegenwoordigt, voor de journalist het toepassen van hoor en wederhoor.

Berichten leiden tot Kamervragen

De media hebben vele rollen in het politieke besluitvormingsproces. Ik noem er een paar, allereerst de informerende functie. Elk bericht in de krant lijkt op dit moment te leiden tot Kamervragen. Media brengen een onderwerp onder de aandacht van de Tweede Kamer en politici hopen via media aandacht voor hun standpunt. De vraag is zo langzamerhand of de media de Kameragenda volgen of de Kameragenda de media. Kamervoorzitter Arib riep de Kamerleden vorige week op het aantal Kamervragen en debataanvragen te matigen. De manier waarop een onderwerp in de media wordt gebracht, vormt de basis van de publieke opinie en daarmee de reactie van de politiek. Een andere rol van de media is misstanden aan de kaak te stellen. Deze signaalfunctie op basis van onderzoeksjournalistiek is essentieel in het maatschappelijk debat maar wordt ook vaak gebruikt om een onderwerp op de agenda te zetten. Zo behartigen media eigenlijk zelf een belang. Zolang dat open en transparant gebeurt – en hoor en wederhoor wordt toegepast – is dat geen probleem. Voor veel lezers is dat echter niet altijd duidelijk, in mijn ogen kan dat transparanter.

Een van de andere inleiders op 15 maart stelde dat goede beleidsvorming niet zonder lobby kan. Politici hebben informatie van voor- én tegenstanders nodig om op basis van deze informatie en hun politieke idealen een afgewogen besluit te nemen. Het is aan de media én public affairs adviseurs deze informatie op een transparante manier te verzorgen.

‘Transparantie in de Algemene wet bestuursrecht’

31 maart 2016

Transparantie bij politieke besluitvorming is hot. De kranten staan er vol mee en politici proberen de beïnvloeding beter in kaart te brengen. Zo werkt het ministerie van Financiën bijvoorbeeld al met een lobbyparagraaf bij wetgeving om transparantie te bevorderen. Ook de BVPA benadrukt het belang van transparantie van besluitvorming en heeft als standpunt dat het proces van besluitvorming niet transparant genoeg kan zijn. Als stagiair bij Dröge en van Drimmelen en student juridische bestuurskunde (RUG) leek het Steven Kroesbergen interessant te onderzoeken wat er op het gebied van transparante besluitvorming voor overheidsorganen in de wet staat.

Bij het maken van een beslissing is het essentieel om de relevante feiten te vergaren en alle belangen die door een mogelijk besluit geraakt worden zorgvuldig in te acht nemen. Volgens de wet is het dan ook de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan om alle belangen te kennen, af te wegen en de juiste keuze te maken. Dit is opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht (AWB) met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Deze beginselen geven vorm aan de rechtstaat door het stellen van gedragsregels aan de overheid ten opzichte van de burger. In de besluitvorming zijn daarbij vier beginselen in het bijzonder van belang.

      1. Zorgvuldigheidsbeginsel (art. 3:2 AWB)

Allereerst ziet het zorgvuldigheidsbeginsel erop toe dat het openbaar bestuur de nodige kennis omtrent de relevante feiten en belangen in de besluitvorming vergaart.

      2. Specialiteitsbeginsel (art. 3:4 lid 1 AWB)

Ten tweede schrijft het specialiteitsbeginsel voor dat er een belangenafweging plaatsvindt waarbij alle rechtstreeks betrokken belangen worden afgewogen. Het is daarom noodzakelijk zo goed mogelijk op de hoogte zijn van de stakes at risk en de (in)directe consequenties die voortvloeien uit een specifiek besluit. 

      3. Fair play-beginsel (art. 2:4 AWB)

Dit beginsel ziet op een eerlijke en gelijke benadering door de overheid zonder vooringenomenheid. Deze eerlijkheid uit zich in een transparant karakter van de besluitvorming van de overheid.

     4. Motiveringsbeginsel (art. 3:46 AWB)

Het punt van transparantie in de besluitvorming is wettelijk geregeld door het motiveringsbeginsel. Dit zorgt er voor dat er voldoende inzicht wordt gegeven in de wijze waarop een besluit tot stand komt en waarom er voor bepaalde standpunten is gekozen. Een overheidsbesluit dient daarom te berusten om een deugdelijke motivering. Dit beginsel staat dus in nauw verband met het zorgvuldigheids- en specialiteitsbeginsel.

Beleid of regelgeving zonder voldoende aansluiting op de bovenstaande algemene rechtsbeginselen is niet effectief. Puur juridisch beredeneerd omdat het onhoudbaar kan blijken bij de rechter. Het aanleveren van informatie door maatschappelijke partijen aan besluitvormers in het openbaar bestuur is daarom niets vreemds. Het is zelfs een toegevoegde waarde in de totstandkoming van een goed afgewogen wet. De intrede van een lobbyparagraaf bij wetgeving zal volgens mij dan ook de legitimiteit van besluitvorming vergroten, doordat het de transparantie ervan vergroot.

Steven Kroesbergen

Bot-methode laat noodzaak zien voor meer transparantie

8 maart 2016

In de afgelopen dagen is door de media en verschillende bewindspersonen kritiek geuit op de lobbyactiviteiten van oud-minister en huidig lobbyist Ben Bot. Hij kwam, net als vorig jaar, in opspraak naar aanleiding van gebrek aan transparantie tijdens zijn werkzaamheden als lobbyist. Uit onderzoek van NRC Handelsblad blijkt dat bij Bot ‘diplomatie in dienst van de overheid en commercieel lobbywerk door elkaar heenlopen’.

Deze handelingen tonen voor mij aan dat maatregelen die leiden tot meer transparantie in het vakgebied hoognodig zijn. De ‘methode-Bot’ doet afbreuk aan waar wij als public affairs adviseurs ons voor inzetten: professionele en transparante belangenbehartiging. In mijn ogen is transparantie de voorwaarde voor een goede lobby en voor een goed functionerende democratie. 

Daarom verwelkom ik ook het voorstel “lobby in daglicht” van Lea Bouwmeester. Zij probeert door middel van een initatiefnota de Nederlandse lobbypraktijk transparanter en toegankelijker te maken. Dit voorstel komt voort uit de overtuiging dat een goede overheid een open overheid is, een overtuiging die ik met haar deel.

Daarnaast is de aangenomen motie (van Gerven) over het toevoegen van een lobbyparagraaf aan wetgeving een stap in de goede richting. Op 1 maart heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen die de regering verzoekt om een lobbyparagraaf toe te voegen aan wetsvoorstellen. Wetsvoorstellen dienen voortaan te worden voorzien van een paragraaf die aangeeft welke belangenbehartigers een bijdrage hebben geleverd aan de inhoud van nieuwe wetgeving. Zo wordt de betrokkenheid van lobbyisten bij wetgeving in kaart gebracht. De motie Van Gerven komt voort uit de wens om de totstandkoming van wetgeving transparanter te maken. Deze wens deel ik met Van Gerven.

Wat mij betreft gaan deze voorstellen echter niet ver genoeg. Meer transparantie is nodig over de gehele politieke linie. Niet alleen de lobby bij ministeries en overheidsinstanties dient transparant te zijn, maar juist ook bij politici en politieke partijen zelf. Daarom ben ik van mening dat volledige transparantie en openheid ook moet gelden voor politici en politieke partijen. Het voorstel van Bouwmeester en de aangenomen motie van Van Gerven zijn dus slechts een kleine stap in de goede richting. Hopelijk zal de ophef rondom de Bot-methode leiden tot serieuze inzet om de transparantie op het gebied van lobby te verbeteren. Tot slot roep ik lobbyisten als Ben Bot op om net als ruim zeshonderd vakgenoten lid te worden van de BVPA en daarmee de gedragscode te onderschrijven.

Public consultation for a mandatory transparency register. New Commission, same game, new rules?

March 3, 2016

On 1 March, the European Commission launched a 12-week public consultation for a mandatory transparency register. The Commission is seeking the views of all interested parties on the performance of the current Transparency Register for lobbyists – or “interests representatives” – involved in EU policy-making and policy implementation and on its future evolution towards a mandatory scheme for the three institutions: European Parliament, Council of the EU and European Commission. The first open and structured dialogue between the Commission and special interest groups started in 1993 but the “Proposal for a new European Transparency Initiative” came only in 2006. In 2008, the first version of the Commission’s Register of Interest Representatives was launched by the Commission and three years later, it was also adopted by the European Parliament.  The consultation is based on the European Commission’s willingness to become more transparent. In line with the Transparency Initiative introduced in November 2014, the Commission now wants to make it mandatory and extend it to the Council. Responding to the need for change in Europe, does this move illustrate a new way of making policy?

Better regulation: less regulation, more consultation

The planned changes to the Transparency Register are part of a broader commitment to reforming EU policy making. It shows that the Commission is open to public participation in the process and, as Commission First Vice-President Frans Timmermans said, “this Commission is changing the way we work by consulting stakeholders more and by being open about who we meet and why”. In its Better Regulation Agenda presented last year, the Commission committed to opening up its policy making process to further public scrutiny and input. New stakeholder feedback mechanisms have already been set up, so that views can be made known to the Commission from the very start of the preparation of an initiative based on roadmaps and inception impact assessments, as well as after a proposal is adopted by the Commission, in order to feed into the legislative process in the Parliament and Council.

Bringing more transparency

The public consultation is also a first step towards fulfilling the promise made by Juncker before he became Commission President, when he said that “we need to be more transparent. The transparency register should be mandatory and applied to all institutions”. A year after the last reform of the register, the Commission now wants to move to the next level with the consultation. Since the start of his mandate, Juncker has been working on the lack of transparency of and within the EU, especially after the “Dalli case” in the last Commission. As such, Juncker has imposed the rule that Commissioners should only meet with registered organisations, which has led to a significant increase in the number of registrations. Besides this, the Commission is not only trying to be more transparent regarding its meetings with lobbyists, but has also  started to slowly extend these efforts to some of its activities, notably trade, which have traditionally been quite opaque. The strong popular opposition towards Transatlantic Trade Investment Partnership (TTIP) convinced the Commission that it was necessary to publish parts of the negotiation documents on its website.

Too early to see the results

In general, it is too early to assess whether the Juncker’s Commission and the new way of working will bring a better implementation of its policies in Europe, but we can see efforts being made to improve the European Commission’s efficiency and transparency as well as to take into account input from citizens and stakeholders. Concerning the transparency register, the Commission has made it a priority in its 2016 work programme to make it a mandatory system and to expand it to the Council of the EU. Member States welcome the idea of joining the lobbying disclosure registry, but not all of them favour a mandatory system and some would like to keep national permanent representations out of the agreement. Negotiations between the institutions will certainly not be easy.

Ludivine Félix

The European Union: forging ever stronger economic relations

March 1, 2016

While internally the EU is entangled in various discussions on refugees, the euro and a possible Brexit, the EU is externally making headway in forging ever closer economic ties with important economic regions in order to boost the lagging European economy. What are the recent developments and are there any challenges looming?

Recent developments

Recently there has been some positive news for the EU. It is making progress after some serious delays negotiating free trade agreements (FTA) with various countries. EU Trade Commissioner Cecilia Malmström and Canada’s Trade Minister Chrystia Freeland said in a statement this week that the legal review of CETA (the Comprehensive Economic and Trade Agreement) between Canada and the European Union had been "completed" and that both Canada and the EU were "confident" the controversial free trade deal would be signed in 2016 and enter into force in 2017. Freeland called it a "landmark trade agreement." Canadian and European leaders formally concluded the deal in 2014, but implementation has been delayed due to last-minute objections in Europe over provisions to create an investment protection system that would help protect companies from government intervention. This system is key to a similar but far more ambitious agreement (the Transatlantic and Investment Partnership or TTIP) currently under negotiation between the EU and USA which has drawn fierce criticism in Europe. Opponents say the measure favours big business, enabling companies to fight national regulations that violate the trade deal and threaten their investments. The new deal with Canada includes important modifications to the contested investor protection system under which a permanent tribunal, staffed with independent, qualified adjudicators, would hear any complaints. Canada signing off on the changes is a significant victory for the European Commission, which is facing huge pressure to have the USA agree to the same offer. The TTIP negotiators are hopeful about reaching an agreement by the end of the year.

Only last week Mercosur, the South American customs union and trading bloc, offered to open up 93% of its trade to competition from the EU to seal a long-sought free-trade deal. Negotiations with Mercosur started in the 1990s. Another FTA in the making is a potential agreement with India. The negotiations for the free trade pact have been held up since May 2013 as both sides failed to bridge substantial gaps on crucial issues, including data security status for the IT sector. On January 18, however, chief negotiators of India and the EU took stock of outstanding issues to assess where both sides stand and how India and the EU should go forward with the proposed deal.

Challenges

The road to a final FTA, ready to be implemented, can be long indeed. And marred by unexpected challenges as well. On 27 February 2016, Morocco declared that it was suspending ties with the EU in response to a European Court of Justice (ECJ) ruling that invalidated an EU-Morocco trade deal covering farming and fisheries. The court ruled that the deal should not cover Western Sahara, a former Spanish colony at the center of a decades-long dispute between Morocco and a separatist group, the Polisario Front, the political representative of the Saharawi people. The Front wants independence and called for the EU trade deal to be annulled, saying that it broke international law, to which the court agreed. Meanwhile, the EU has decided to appeal the ECJ decision. A spokesperson for the European External Action Service, the EU’s diplomatic arm, said the EU would provide “all the necessary information” to deal with Morocco’s concerns, “so that cooperation can be re-established as soon as possible.” After all, the EU needs to make progress on the FTA front to provide a sorely needed boost to the lagging European economy, but not without being sensitive to public opinion. 

Sekhar Lahiri