Categorie archieven: Blog

Mededinging op de online markten

Vorig jaar kwam er een lijst uit van de twintig grootste techbedrijven ter wereld. Naast de usual suspects uit de Verenigde Staten en China, schitterde de Europese Unie vooral door afwezigheid. Wel liet de EU regelmatig van zich horen op het gebied van mededinging door het uitdelen van hoge boetes voor de grote techbedrijven. De vraag hoe de digitale economie competitief blijft, speelt niet enkel op Europees niveau. Ook vanuit Nederlandse beleidsmakers komen voorstellen. Het past binnen de ‘techlash’, de terugslag van overheden om de macht van de grootste techbedrijven in te perken. Namens D66 nam Tweede Kamerlid Verhoeven in februari van dit jaar het initiatief om het mededingingsrecht te vernieuwen, zodat deze beter aansluit op de digitale economie. Ambtelijk was staatssecretaris Keijzer (EZK) al langer aan het onderzoeken of het huidige mededingingsrecht aansluit op de digitale markt. Nu zijn haar voorstellen samen met een reactie op het initiatief van Verhoeven gepubliceerd. Op Twitter reageerde Verhoeven verheugd met de opmerking dat het voorstel naadloos aansluit op de initiatiefnota van D66. Een nadere beschouwing van de voorstellen leert echter dat er, naast aanzienlijke beleidsinhoudelijke verschillen, ook een andere route wordt genomen. Deze beschouwing gaat dieper in op het verschil in politieke proces dat beide voorstellen nemen.

Maatregelen
Het doel van het mededingingsrecht is om verzekerd te zijn van effectieve concurrentie. Een machtspositie is binnen het mededingingsrecht niet verboden, maar misbruik van die dominante positie wel. Dit principe van het mededingingsrecht blijft bestaan in het voorstel van de staatssecretaris, maar het vereist volgens het ministerie herziening om toepasbaar te zijn binnen de digitale economie. Op verschillende punten wil de staatssecretaris het mededingingsrecht aanscherpen na een uitgebreide consultatieronde onder experts en belanghebbenden. Het kabinet stelt daarom een drietal maatregelen voor om het mededingingsbeleid toekomstbestendig te maken. De toezichthouder moet vooraf kunnen ingrijpen als een speler op de markt een positie krijgt waar anderen niet meer omheen kunnen. Daarnaast zal de rol van data worden meegenomen in de beoordeling. Als derde punt stelt de staatssecretaris voor om te werken aan nieuwe fusiedrempels die beter toegespitst zijn op de digitale economie. Drempels die met het oog op de positie van online platforms de concurrentiemogelijkheden bewaken en versterken.

Politieke route
De staatssecretaris is zich ervan bewust dat Nederland deze stappen niet alleen kan nemen, juist omdat het Nederlands mededingingsrecht in de kern Europees recht is. Op het eerste gezicht lijkt dit sterk op het voorstel van D66. In de uitvoering zit echter een groot verschil. De staatssecretaris gaat in grote lijnen mee met het voorstel van Verhoeven betreffende de Europese aanpak. In zijn initiatiefnota stelt Verhoeven dat de regering zich moet inspannen om het werkingsverdrag van de Europese Unie (VwEU) te herzien om het aan te sluiten op de nieuwe digitale markt. Het huidig verdrag is vastgelegd in 2009, een tijd waarin de meeste online platforms nog in de kinderschoenen stonden. Mededingingsartikelen Art. 101 en 102 VwEU sluiten volgens Verhoeven onvoldoende aan op de digitale economie die draait op (toegang tot) data en daarmee zijn de artikelen volgens Verhoeven toe aan modernisering. Herziening of opstelling van een nieuw Europees Verdrag is echter een politiek proces van de lange adem.

Het is ook de vraag of een dergelijke ingrijpende aanpak inhoudelijk het mededingingsrecht effectiever maakt. Het zijn namelijk niet de principes, maar het instrumentarium van het toezicht dat actualisatie behoeft. Daarentegen is volgens Verhoeven het instrumentarium zelf ook niet toereikend en stelt zijn initiatiefnota nieuwe wetgeving voor. De staatssecretaris geeft aan dat het Europees werkingsverdrag flexibel genoeg is beschreven om ook in 2019 dienst te doen op de digitale markt. Juist door de ruimere beschrijving is slechts actualisatie nodig in de toepassing ervan. Daarom stelt zij in haar brief voor om enkel de richtsnoeren, de handleiding van het mededingingsrecht, aan te passen op de realiteit van online markten. In deze richtsnoeren is momenteel namelijk nog niet opgenomen hoe toezichthouders de rol van data een plek kunnen geven in hun analyse van de markt en het vaststellen van mededingingseffecten.

Europees proces
Opvallend is wel dat de staatssecretaris niet nader ingaat op de vraag hoe het ministerie exact de richtsnoeren wil aanpassen. Het kan zijn dat de staatssecretaris nog de kaarten tegen de borst houdt. Europese collega’s van Keijzer uit Frankrijk en Duitsland komen immers ook met voorstellen voor het Europees mededingingsbeleid. De nieuw te vormen Europese Commissie moet echter nog met een voorstel komen voor aanpassing van de wetgeving. In aanloop naar dit voorstel is de staatssecretaris al wel in gesprek met meerdere landen om een meerderheid te vormen voor het aangepast mededingingsbeleid. Door te kiezen voor behoud van de kern van het mededingingsrecht en zich te richten op de interpretatie van de richtsnoeren, krijgt het kabinet naar verwachting in Europa sneller de handen op elkaar. Het kabinet kiest daarmee enerzijds voor handelend optreden gedurende deze kabinetsperiode en anderzijds voor een behoedzame, evenwichtige aanpak waarbij niet direct gegrepen wordt naar ingrijpende wetswijzigingen. Een balanceeract tussen overheid en markt waarbij het kabinet het midden probeert te vinden tussen de sterke roep vanuit oppositie en een deel van de maatschappij om iets te doen aan de grote techreuzen (de techlash) en de Nederlandse economische belangen die niet gediend zijn met te ingrijpende voorstellen waarvan onvoldoende bekend is welke impact het heeft op ons (grote) digitale ecosysteem. Pragmatisch handelen dat past bij de Nederlandse politiek.

Door Sander van Diepen & Roeland Coomans

Theateravond 2019: Slagerij van Kampen en Dröge & van Drimmelen – blijvend relevant in een dynamische tijd

Dinsdag 21 mei vond de jaarlijkse theateravond van Dröge & van Drimmelen plaats. 2019 is een feestelijk jaar voor Dröge & van Drimmelen en in het bijzonder voor directeur en oprichtend partner Frans van Drimmelen: het is dit jaar 20 jaar geleden dat hij het bureau heeft opgericht. Als culturele invulling van de avond stond dit jaar Slagerij van Kampen op het programma.

De feestelijke avond werd ingeluid met een welkomstwoord van Frans. Hij besteedde onder andere aandacht aan de Europese verkiezingen op donderdag 23 mei. Frans noemde daarbij ook de maatschappelijke zorgen die er zijn over de polarisatie en opvallende relatie tussen anti-Europese partijen die samenwerken om sterker te staan, maar niet willen samenwerken binnen de Europese Unie. Deze ontwikkelingen geven ook de taak om oor te hebben voor diegene die zorgen hebben over de toekomst.

Na welkomstwoorden richting de genodigden werd Frans als verrassing warm toegesproken door voormalig minister Ernst Hirsch Ballin. Hij roemde het prachtige jubileum van 20 jaar en de manier waarop Frans het kantoor heeft opgebouwd. In het bijzonder besteedde hij aandacht aan zijn maatschappelijke betrokkenheid in het vrijwilligerswerk: “Waarden zijn belangrijker dan belangen en inzicht is belangrijker dan indruk maken. Je weet dat het enige wat telt de inhoud is en dat een goede vormgeving daarbij kan helpen maar de schijn nooit de inhoud kan vervangen.”

Het culturele programma van de avond werd verzorgd door Slagerij van Kampen. De band speelde uitsluitend met slagwerkinstrumenten en wordt terecht gezien als de “godfather” onder de slagwerkgroepen. Dit was ook duidelijk merkbaar in hun spectaculaire optreden. Ze brachten een show ten gehore die het hele theater deed swingen (de voetjes gingen zelfs van de vloer) en die door een fantastische lichtshow en futuristische benadering van het instrumentarium nog extra werd benadrukt.

Hoewel een muzikaal optreden en de inzet van ons kantoor niet direct een voor de hand liggende connectie met elkaar hebben, heeft de geschiedenis van Dröge & van Drimmelen en Slagerij van Kampen dit wél: beiden weten al decennia achtereen relevant te blijven in een dynamische tijd. Slagerij van Kampen is opgericht in 1982 en heeft, hoewel de muzikanten inmiddels allemaal zijn vervangen, al die jaren zijn eigen kracht en positie in de Nederlandse én internationale muziekindustrie behouden.

In het public affairs vakgebied zijn er veel veranderingen geweest de afgelopen 20 jaar. Waar in de beginjaren van ons kantoor na Prinsjesdag de stukken fysiek konden worden opgehaald en er geeltjes werden geplakt bij de relevante passages, worden de publicatiewebsites nu verwoed in de gaten gehouden of er niet per ongeluk stukken gelekt zijn. Ook krijgen klanten nog dezelfde middag een uitgebreide analyse én worden de bijbehorende persberichten verstuurd. Dit voorbeeld laat zien hoe digitalisering en de bijbehorende opkomst van social media van invloed zijn geweest op de praktische kant van public affairs.

Ook op internationaal gebied zijn er parallellen tussen Slagerij van Kampen en Dröge & van Drimmelen. Door de jaren heen heeft Slagerij van Kampen zijn sporen verdiend in de internationale muziekindustrie en heeft Dröge & van Drimmelen uitgebreid naar Brussel en Shanghai. Deze internationale uitbreiding is belangrijk om onze klanten te kunnen voorzien van de juiste adviezen en ondersteuning. Regelgeving komt steeds vaker vanuit Brussel onze kant op terwijl er ook juist kansen zijn om vanuit Nederland de Europese regelgeving te beïnvloeden. Een mooie wisselwerking die wij graag ten volle benutten.

De afgelopen twee jaar heeft Dröge & van Drimmelen onderzoek gedaan naar de trends op het gebied van public affairs en deze onderzoeken naar buiten gebracht. Uit deze onderzoeken komt duidelijk naar voren dat het essentieel is om oog te hebben voor de maatschappelijke ontwikkelingen en hier op de juiste manier op in te spelen om relevant te blijven binnen ons vakgebied. Een kunst die Dröge & van Drimmelen inmiddels al 20 jaar beheerst. De opkomst van social media, burgerlobby en de totstandkoming van unieke coalities zijn tegenwoordig vaste onderdelen van het public affairs vak. Alleen door voorop te lopen in de ontwikkelingen van het vakgebied kunnen we ook in de toekomst zorg dragen voor een proactieve belangenbehartiging. Dit doen we altijd op een open en transparante manier. Oftewel zoals Frans aan het begin van de avond zei: “We helpen graag maatschappelijke problemen op te lossen en dat kan op verschillende manieren. Dat doen we met veel plezier en daarin zullen we voorop blijven lopen. Dat is onze belofte.”

Door Charlotte van Wezel

Regionale Energiestrategie (RES) binnen het ‘Huis van Thorbecke’

Het klimaatakkoord krijgt lokaal steeds meer vorm. Verspreid over het gehele land zijn gemeenten aan het onderhandelen richting een Regionale Energiestrategie (RES). Niet door debat binnen de gemeentegrenzen, maar via overleg met buurgemeenten. Zo ontkomt geen gemeente aan zijn bijdrage aan de energietransitie. Het roept wel vragen op over de lokale democratie. Is er behoefte aan nog een regionaal samenwerkingsverband? Is dit een nieuwe bestuurslaag? En voor de bestuurskundigen onder ons: hoe past dit binnen het ‘Huis van Thorbecke’?

RES
Om een lokale vertaling te maken van de nationale afspraken uit het Klimaatakkoord is het land opgedeeld in dertig RES-regio’s. Juist door het lokaal uitwerken van de afspraken verwachten de beleidsmakers meer maatschappelijk draagvlak voor de keuzes. Bestuurders vanuit gemeenten en waterschappen moeten het komende jaar samen een plan opstellen om in hun gebied de energie te verduurzamen. De opgaven naar de energietransitie kennen geen grenzen. Toch is afgesproken dat geen van de dertig RES-regio’s over de provinciegrenzen heen gaan. Zo zal de energietransitie zich houden aan onze historische staatsstructuur die stamt uit de tijd dat de industriële revolutie nog op stoom moest komen.

Huis van Thorbecke
Volgens onze Grondwet hebben we drie bestuurslagen: het Rijk, de provincies en de gemeenten. Deze verticale spreiding van onze staatsmacht staat bekend als het Huis van Thorbecke. Nu is er sinds 1848 regelmatig geklust aan dit huis. Met de komst van de Europese Unie is er een verdieping op gezet. Wordt hier met de komst van de RES een laag tussen gevoegd, of is er iets anders aan de hand? Voor alle drie de verdiepingen van het Huis van Thorbecke gaan we naar de stembus. Gezien we ook stemmen voor het Europees parlementen de waterschappen is dit niet het enige criterium voor een verdieping in het Huis van Thorbecke. De drie bestuurslagen die ons land kent, hebben hiermee wel een democratisch mandaat gekregen om beslissingen te maken over de burgers. De aankondiging van de RES enkele jaren geleden deed om deze reden het nodige stof opwaaien bij de bestuurskundigen. Er wordt niet direct voor gestemd, dus mogen deze bestuurders wel beslissingen nemen? Nu de uiteindelijke vormgeving van de dertig RES-regio’s bekend is, blijkt dit niet het geval. Er worden geen beslissingen genomen, aangezien de gemeenteraad het laatste woord blijft houden. Probleem opgelost, zo lijkt.

Samenwerkingsverbanden
Een dergelijk alternatief voor een nieuwe bestuurslaag is niet iets nieuws, noch een unicum. De laatste jaren hebben de gemeentelijke samenwerkingsverbanden een vlucht genomen, met name door de decentralisatie. Gemiddeld zijn er 27 samenwerkingsverbanden per gemeente. Deze trend gaat niet gepaard zonder de nodige zorgen. Een onderzoek uit 2014 kaartte al eens aan dat driekwart van de raadsleden de samenwerkingsverbanden als een gevaar voor de lokale democratie ervaart en 44% gaf aan onvoldoende kennis te hebben om controle uit te oefenen. Door deze samenwerkingsverbanden wordt het voor raadsleden alsmaar moeilijker om de keuzes van het College van B&W te controleren en daarop invloed uit te oefenen. Zeker waar een groot aantal gemeenten betrokken zijn met verschillend formaat. Raadsleden en wethouders krijgen minder greep op de vorming van het beleid en de uitvoering ervan. Uit de opeenstapeling van al die overlappende samenwerkingsverbanden volgt de nodige bestuurlijke drukte. Besluiten blijken al genomen, men mag enkel tekenen bij het kruisje en het roept onbehagen op over de democratische legitimiteit.

Om meer grip te krijgen op de samenwerkingsverbanden werkt minister Ollongren aan de mogelijkheid om een ‘gele kaart’ in te voeren. Een gele kaart – om besluiten te heroverwegen –  wordt mogelijk voor alle soorten samenwerkingen die onder de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) vallen. In die wet is vrijwillige samenwerking de maatstaf. De vraag is echter of een RES-regio zich mag scharen onder de samenwerkingsverbanden uit de regeling, aangezien het een ‘verplicht vrijwillige samenwerking’ betreft.

Wordt vervolgd
De mogelijkheden voor gemeenteraden om controle uit te oefenen zijn beperkt of onduidelijk. De vorming van de RES lijkt een behoorlijk technocratische exercitie te worden voor lokale bestuurders. De klimaatafspraken krijgen lokaal steeds meer vorm, maar dat gaat gepaard met de nodige vragen over de lokale democratie. Bestuurders kunnen het resultaat enkel ter kennisgeving voorleggen aan de gemeenteraad. Reacties en zienswijzen worden opgehaald, maar gedegen controle-, verantwoordings- en sturingsmechanismen lijken te ontbreken. Dit vraagt alertheid vanuit de lokale volksvertegenwoordiging. Juist voor het vinden van het maatschappelijk draagvlak is hun democratische controle op het proces een vereiste. Bovenal is het interessant om de discussie te blijven volgen, ook wanneer de woordvoerders uit de Tweede Kamer op 27 juni met elkaar in debat gaan over het versterken van de lokale democratie.

Door Sander Des Tombe & Sander van Diepen

De Conferentie NL Digitaal: Klaar met denken, tijd voor doen

Digitalisering van economie en maatschappij biedt enorme kansen, maar er is ook een groot aantal uitdagingen die vragen om richting en het maken van duidelijke keuzes. Welke rol moet de overheid pakken in het structureren van de digitale economie? Kunnen bedrijven verplicht worden gesteld om data te delen? En welke rol moeten de verschillende stakeholders spelen in het voorbereiden van de volgende generatie op de digitale toekomst? Vraagstukken waarover veel is gediscussieerd tijdens de Conferentie NL Digitaal, maar waarop op de slotdag van de conferentie niet altijd eenduidige antwoorden zijn gekomen of keuzes zijn gemaakt. Wel zijn er diverse intentieverklaringen getekend en is afgesproken om in publiek-privaat verband verder na te denken over deze en andere belangrijke vraagstukken rondom digitalisering. Dat is nodig wil het kabinet de uitgesproken ambitie om digitaal koploper van Europa te worden waarmaken.

Breed aanbod aan thema’s
Op de slotdag van de conferentie vond de bestuurlijke ‘Nederland Digitaal Dag’ plaats. De  genodigden uit het bedrijfsleven, de wetenschap en de overheid vormden een kleurrijk publiek, allen geïnteresseerd in de grote vraag hoe Nederland nog beter kan inspelen op digitalisering. Uit de opzet van de conferentie blijkt wel hoe ver onze maatschappij inmiddels is doordrongen door de digitale revolutie. Onderwijs, gezondheidszorg, sociale inclusiviteit; anno 2019 heeft praktisch elk maatschappelijk dossier een eigen digitale component. De brede maatschappelijke impact van digitalisering kwam in vrijwel elke sessie op de conferentie terug. Vele onderwerpen die raken aan de
digitaliseringsstrategie van de overheid kwamen langs – uiteenlopend van maatschappelijke onderwerpen als inclusiviteit en digitale grondrechten tot economische kansen op het gebied van bijvoorbeeld Artificial Intelligence en Smart Cities.

Een van de sessies was gericht op de moderne aanpak van illegale online content. Hoewel het vervelende – maar urgente – onderwerp enigszins uit de pas liep met de positieve verhalen over innovatie en nieuwe economische kansen, was de conclusie van de sessie erg opbeurend. De aanpak van illegale content online is een perfect voorbeeld van succesvolle publiek-private samenwerking. Deze aanpak is grotendeels gestoeld op het initiatief vanuit de sector zelf, aangevuld door een juridische component vanuit de overheid. De synergie tussen relevante stakeholders – uiteenlopend van het bedrijfsleven tot politie en OM – levert uiteindelijk een eindproduct dat beter geschikt is om de strijd tegen illegale content aan te gaan.  Andere sectoren kunnen aan deze vorm van publiek-private samenwerking een voorbeeld nemen.

De kabinetsvisie op datadeling kwam ook in één van de sessies als onderwerp terug. Den Haag is hier – zoals we eerder schreven – verdeeld over. Directeur-generaal Bedrijfsleven en Innovatie Focco Vijselaar (EZK) lichtte de visie toe: iedereen profiteert van datadeling, het vindt bij voorkeur vrijwillig, maar zo nodig verplicht plaats en mensen en bedrijven moeten controle over hun gegevens houden. Aanwezigen zagen in data een belangrijke grondstof in de 21e eeuw. Data gaat naar aller waarschijnlijkheid maatschappijbreed voor optimalisatie van diensten en producten zorgen en is een bron van innovatie. Het belang ervan werd door aanwezigen echter ook genuanceerd; zo gaat de – te vaak – gemaakte vergelijking met olie niet op. Data is immers voor meerdere partijen tegelijkertijd toegankelijk en wijdverspreid aanwezig. Het is eerder de ordening en in grotere mate de analyse en het begrip ervan die data tot een waardevolle ‘grondstof’ kan maken. Veel partijen kijken daarom met grote belangstelling naar de manier waarop het ministerie van EZK de visie op datadelen naar de praktijk gaat vertalen. Al kan ook hier het bedrijfsleven een proactieve rol spelen.

Toenemende aandacht voor digitalisering
De conferentie is een mooi voorbeeld van de toenemende aandacht van het kabinet-Rutte III voor de grote digitale ontwikkelingen van deze tijd. In het regeerakkoord refereerde de coalitie al naar het digitale koploperschap in Europa. Deze ambitie werd afgelopen zomer verder bekrachtigd door staatssecretaris Keijzer (EZK) bij de presentatie van de eerste
Nederlandse Digitaliseringsstrategie. Ook andere bewindspersonen hebben de afgelopen anderhalf jaar steeds meer aandacht voor de digitale component binnen hun vakgebied – zo blijkt bijvoorbeeld uit de Cybersecurity Agenda van minister Grapperhaus (J&V), de Digitale Transportstrategie van minister van Nieuwenhuizen (I&W) en de Agenda DIGIbeter van staatssecretaris Knops (BZK),

Dit gehele pakket aan maatregelen en initiatieven is slechts een eerste stap naar een uitgewerkte visie op de digitale sector. Maar deze kabinetsbrede visie op de digitale sector is nog lang niet compleet. Zo wachten we nog op de kabinetsagenda Artificial Intelligence. En op welke manier creëren we een Europese tegenhanger voor Sillicon Valley en haar Chinese equivalent? De enorme stappen die we in de afgelopen vijf jaar hebben gezet in het klimaatvraagstuk laten zien dat het mogelijk is om in relatief korte tijd flinke vooruitgang te boeken.

De digitale toekomst van Nederland
Een belangrijk en onbeantwoord vraagstuk is waar de digitale ambities van Nederland – en de Europese Unie – precies liggen en wat de rol van de overheid hierin zou moeten zijn. Willen we vol inzetten op digitale innovatie en ruimte in regelgeving creëren om dit mogelijk te maken? Of zetten we juist in op strengere regulering waarbij veel aandacht is voor publieke waarden en de ethische aspecten van nieuwe technologieën zoals AI? Het feit dat de technologieën van morgen vandaag nog niet
up and running zijn, wil nog niet zeggen dat we niet kunnen filosoferen over welke waarden we verkiezen boven de keerzijden van een volledig vrije markt of een volledige top-down economische benadering. Deze vraagstukken verdienen aandacht waarbij zorgvuldig gezocht moet worden naar het ideale equilibrium. Juist Nederland lijkt uitstekend gepositioneerd om hier een eigen weg in te kiezen waarbij een goede balans tussen economische groei, het waarborgen van grondrechten en het behoud van eigen identiteit, mogelijk moet zijn.

Nederland kan tevens een voortrekkersrol spelen in Europa. Opvallend was dat voor deze rol in Europa (te) weinig aandacht leek te zijn tijdens de slotdag van NL Digitaal. Uiteraard is het belangrijk dat Nederland een duidelijke strategie voor ogen heeft, maar daarbij kunnen we onze ogen niet sluiten voor de ontwikkelingen in het buitenland en de rol die Nederland kan spelen in het internationale speelveld. Met het komende vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (EU) is de potentie voor Nederland om een voortrekkersrol te spelen op het gebied van digitalisering mogelijk nog groter geworden. Hoe die rol eruit ziet en wat de speerpunten zijn van ons land in Europa, had hoger op de agenda mogen staan tijdens de slotdag.

Al met al is de Conferentie Nederland Digitaal een positieve ontwikkeling in het creëren van meer aandacht en bewustzijn voor onderwerpen uit de digitale sector. Op dit soort evenementen kan het debat worden aangezwengeld, kunnen nieuwe inzichten uit de sector met een breed publiek worden gedeeld en kunnen relevante partijen met elkaar in contact komen. Op dit moment wordt er veel gepraat in publiek-privaat verband, maar uiteindelijk moeten alle partijen zelf keuzes maken en stappen zetten. Want alleen als alle relevante partijen hun eigen rol (h)erkennen en aannemen kan de digitale transitie daadwerkelijk plaatsvinden.

Door: Ewout Tenhagen en Roeland Coomans

Den Haag verdeeld over datadeling

Een paar jaar geleden begon de opmars van de tech lash, de terugslag tegen de grote techbedrijven als Amazon, Alphabet, Apple, Microsoft en Facebook. Het succes van deze bedrijven gaat gepaard met maatschappelijke zorgen over hun macht. Overheden ervaren druk om met maatregelen te komen om deze bedrijven aan te pakken. Een veelgehoord voorstel is om datadeling verplicht te stellen. Afgelopen week heeft het kabinet een visie over datadeling gepubliceerd en D66 een techvisie 2.0. Daarom komt dit onderwerp binnenkort ook aan bod in de Tweede Kamer. Uit de discussie tot nu toe blijkt dat verplichte datadeling op het eerste gezicht een goede maatregel lijkt en aanslaat bij politici, maar dat sommige economen twijfelen over het nut en de noodzaak ervan. In het politieke debat moet een balans gevonden worden tussen de politieke wil om de macht van big tech bedrijven aan te pakken en de noodzaak van zorgvuldige wet- en regelgeving. Bedrijven, zowel groot als klein, die gebruik maken van data doen er goed aan om tijdig te laten zien hoe zij met data omgaan en wat een maatregel als verplichte datadeling voor hen zou betekenen.

Terugblik
Hoewel vorige week twee voorstellen omtrent datadeling zijn gepubliceerd, is het geen nieuwe discussie. Een van de eerste keren dat we het ministerie van Economische Zaken over verplichte datadeling hebben gehoord, was toen secretaris-generaal Maarten Camps in januari 2018 in het vakblad voor economen ESB stelde dat het delen van data het nieuwe uitgangspunt moet worden. Het is opvallend dat hij als secretaris-generaal op eigen titel hiervoor pleitte, terwijl het geen staand beleid van het ministerie was. Een paar maanden later publiceerde het ministerie van Economische Zaken de Nederlandse Digitaliseringsstrategie, waarin staat dat verplichte datadeling ook negatieve gevolgen kan hebben, onder andere voor privacy en innovatie. Het ministerie besloot daarom onderzoek te doen naar de voor- en nadelen van verplicht datadelen en daarna een kabinetsvisie te publiceren.

Uit de discussie die volgde bleek dat men het niet eens is over het nut, de wenselijkheid en de praktische uitvoerbaarheid van verplichte datadeling. In een ESB-artikel krijgt Maarten Camps steun van drie van zijn eigen beleidsmedewerkers. Zij betogen dat bij exclusief gebruik van gegevens veel potentiële waarde verloren kan gaan, zeker wanneer er sprake is van marktmacht. Ook de economen van Tilburg Universiteit Inge Graef en Jens Prufer staan positief tegenover datadeling, omdat in sommige sectoren verplichte datadeling kan voorkomen dat datagedreven markten omslaan naar een monopolie. De Europese betalingsrichtlijn PSD2 geeft derde partijen bijvoorbeeld de mogelijkheid om met expliciete toestemming van rekeninghouders bij banken toegang te krijgen tot rekeninginformatie om zo te zorgen voor een gelijk speelveld in het bankwezen.

Hoewel PSD2 een voorbeeld is van sectorspecifieke verplichte datadeling, bleek bij de omzetting van deze richtlijn in nationale wetgeving eerder dit jaar dat sommige Kamerleden zich juist zorgen maken of een dergelijke verplichting niet juist leidt tot meer marktdominantie van de grote techbedrijven in plaats van minder. Mahir Alkaya (SP) vreest bijvoorbeeld dat bedrijven als Google en Facebook zich ook in deze markt gaan begeven en zodoende nog meer gegevens krijgen en daardoor nog machtiger worden.

Opvallend is de stellingname van de toezichthouder ACM in deze discussie. In tegenstelling tot Maarten Camps zijn zij geen voorstander van verplicht datadelen. Zij stellen dat het effect van verplichte datadeling op innovatie onzeker is en per geval verschilt. Datadeling kan innovatie niet alleen stimuleren, maar ook schaden. Het mededingingsrecht volstaat omdat de toezichthouder onder redelijke voorwaarden datadeling al kan verplichten. Aanvullende regulering als een algemene verplichting tot datadeling is volgens hen dus niet wenselijk en niet nodig.

Afgelopen week (woensdag 20 februari 2019) heeft het ministerie van Economische Zaken een kabinetsvisie gepubliceerd over datadeling tussen bedrijven. De visie is over het algemeen genuanceerd en gebalanceerd, waarbij het kabinet de voor- en nadelen tegen elkaar afweegt. De conclusie is dat datadeling bij voorkeur vrijwillig, maar zo nodig verplicht tot stand komt. Mocht het kabinet overgaan tot verplichte datadeling, komt er eerst een consultatie met belanghebbenden en een grondige analyse over een dergelijke plicht. De visie van het kabinet staat in contrast met de voorstellen van Tweede Kamerlid Kees Verhoeven (D66), die op dezelfde dag zijn nieuwe Techvisie 2.0 presenteerde. Hij wil de macht van datamacht van techreuzen inperken door datadeling zowel ex-ante als ex-post verplicht te stellen, zoals ook blijkt uit zijn initiatiefnota.

Vooruitblik
In de hiervoor geschetste discussie over verplichte datadeling, valt op dat de analyses van economen en de positie van sommige politieke partijen uiteenlopen. Waar sommige economen twijfelen aan het nut en de noodzaak van verplicht datadelen, stelt Kees Verhoeven (D66) dat het noodzakelijk is om de datamacht van techreuzen in te perken. Een mogelijke verklaring voor deze discrepantie is dat politici door de tech lash druk ervaren om de macht van grote techbedrijven aan te pakken en verplicht datadelen hiervoor op eerste gezicht een goede maatregel lijkt.

Binnenkort komt datadeling aan bod in de Tweede Kamer. Onder andere tijdens het notaoverleg over de initiatiefnota van Kees Verhoeven en tijdens het algemeen overleg waar de kabinetsvisie over datadeling wordt geagendeerd. Dan moet een balans gevonden worden tussen de politieke wil om de macht van big tech bedrijven aan te pakken en de noodzaak van zorgvuldige wet- en regelgeving.

In aanloop naar het politieke debat over datadeling, doen bedrijven er goed aan om beleidsmakers en politici te informeren over hoe zij omgaan met data. Dit geldt niet alleen voor de big tech bedrijven waar deze maatregel ogenschijnlijk voor bedoeld lijkt te zijn, maar ook voor de kleinere bedrijven waar een dergelijke maatregel disproportioneel veel impact kan hebben op de bedrijfsvoering. Het zou daarom goed zijn om meer voorbeelden te geven over vrijwillige initiatieven van bedrijven om data te delen. In veel discussies over datadeling wordt de rol van dataportabiliteit bijvoorbeeld niet meegenomen, terwijl dit wel degelijk kan bijdragen aan concurrentie en innovatie. Dergelijke informatievoorziening draagt mogelijk bij aan een genuanceerder politiek debat over datadeling.

Door Isabelle van Rossum & Roeland Coomans

Een moderne CEO gaat debat niet uit de weg

Feike Sijbesma, bestuursvoorzitter van chemiebedrijf DSM, werd deze week door maandblad Quote bekroond tot “de nieuwe predikant van het feel good-kapitalisme”. Dat was een reactie op het optreden van Sijbesma een dag eerder in de uitzending van Buitenhof. In de bewuste uitzending had hij een lans gebroken voor strengere klimaateisen en vooral een CO2-prijs voor bedrijven zoals DSM, wat leidde tot lof (met een licht cynische ondertoon) van het maandblad met een zwak voor rijk en succesvol Nederland. De uitspraken van Sijbesma getuigen echter niet alleen van een vooruitziende blik op de rol van het bedrijfsleven in het klimaatdebat, maar ook op de rol van CEO’s in veel meer maatschappelijke debatten.

In 2016 typeerde de toonaangevende Amerikaanse krant The Wall Street Journal Marc Benioff, CEO van techbedrijf Salesforce, als “Activist CEO”. Aanleiding daarvoor was de bemoeienis van Benioff met voorgenomen wetgeving in de Amerikaanse staat Indiana, die de gelijke rechten van LHBTI’ers drastisch zou inperken. Salesforce heeft een groot kantoor in die staat en Benioff dreigde met het stopzetten van alle activiteiten daar, als de wet werd aangenomen. Daarmee was hij er mede verantwoordelijk voor dat de wet snel gevolgd werd door een aanpassing die de rechten van LHBTI’ers alsnog moest beschermen. De titel van activist-bestuurder bleef plakken aan Benioff, die het inmiddels ook als geuzennaam draagt.

In hetzelfde jaar onderzochten wetenschappers van Harvard Business School de impact van CEO-activisme op maatschappelijke debatten én op het imago van hun bedrijven. Ze concludeerden dat de rol die CEO’s steeds meer spelen in debatten die niet direct raakt aan de kern van hun zakelijke activiteiten, bijvoorbeeld kijkend naar de rechten van minderheden in Amerika, een positieve impact heeft op zowel dat debat als op de beeldvorming rond de bedrijven die ze leiden. Het oude beeld dat bedrijven en hun directeuren op de achtergrond moeten opereren, is niet meer van toepassing.

Werkgevers en hun waarden
Vreemd is die veranderende rol van (grote) ondernemingen niet. Lange tijd vielen mensen terug op bekende instituties om hun positie in maatschappelijke debatten te vertolken. Dat kon via politieke partijen of bijvoorbeeld via vakbonden of religieuze organisaties. De positie van die organisaties kalft echter al decennia af, terwijl werkgevers een steeds prominentere rol innemen in de identiteit van hun medewerkers. Waar je vroeger simpelweg voor een bedrijf ging werken omdat ze een grote werkgever waren in het dorp waar je opgroeiende of omdat je vader er ook werkte, hebben toegenomen arbeidsmobiliteit en krapte op de arbeidsmarkt ertoe geleid dat medewerkers vaak bewuster kiezen waar ze willen werken. Het gaan dan niet alleen om de aard van het werk en het salaris, maar ook om de waarden waar het bedrijf voor staat. Je werkgever is daarmee ook een belangrijke vertegenwoordiger van wie jij bent naar de buitenwereld. Zoals Benioff het zelf verwoordde:

 “CEO activism is not a leadership choice, but a modern — and an evolving — expectation. CEOs have to realize that Millennials are coming into the organization and expecting the CEO to publicly represent the values of that organization.”

Terug naar Nederland
In een tijd dat de rol van grote bedrijven in maatschappelijke debatten, vooral dankzij de commotie rond de dividendbelasting, ter discussie staat, was de oproep van Sijbesma verfrissend. Verrassend was het echter niet, aangezien de DSM-topman zich al veel langer maatschappelijk betrokken toont. In een FD interview in 2017 stelde hij bijvoorbeeld:

“Als er aan mij zou worden gevraagd waarom ik ook bezig ben met het beter maken van de wereld, zou ik zeggen dat DSM midden in de samenleving staat. De zaken waar ik mij druk om maak — zoals de honger, ondervoeding en ongezonde voeding, en het klimaat — passen precies bij de competenties van DSM.”

Natuurlijk raakt de discussie over CO2 veel nadrukkelijker aan de zakelijke activiteiten van DSM dan bijvoorbeeld LHBTI-rechten, maar dat neemt niet weg dat Sijbesma zich als geen ander realiseert dat hij als bestuurder niet weg kan lopen voor zijn rol in grote maatschappelijke debatten. Nu werkgevers steeds meer een vertegenwoordiger worden van de waarden en identiteit van hun medewerkers – en in het verlengde daarvan van hun klanten – zullen moderne CEO’s bereid moeten zijn moeilijke maatschappelijke debatten te voeren, ook als dat niet expliciet raakt aan hun eigen zakelijke belangen. Feike Sijbesma verdient meer ‘predikanten van het feel good-kapitalisme’ aan zijn zijde en de werknemers van Nederland verdienen bestuurders die hun waarden vertegenwoordigen. Het wordt tijd dat meer CEO’s zich met maatschappelijke debatten gaan bemoeien!

Door Adriaan Andringa

Kiezen tussen akkoorden

In het zomerreces ontstond er een interessant debat in het FD door twee artikelen van Ebel Kemeling en Jan Rotmans. Kemeling hield een pleidooi voor een stevigere rol van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) inzake de energietransitie en het Klimaatakkoord. Rotmans riep vervolgens op om te stoppen met polderen en te kiezen voor een participatiemodel: een ‘coalition of the willing’ met partijen die durven door te pakken en te investeren. Geen brancheorganisaties en koepels, maar koplopers die verantwoordelijkheid nemen. Is dit een nieuwe, betere versie van het ‘klassieke’ polderakkoord?

Interessant aan beide artikelen is de vergelijking die de auteurs maken tussen het Klimaatakkoord en een akkoord over gezondheid. Kemeling zegt: “Stel: (..) in het regeerakkoord worden ambitieuze doelen geformuleerd over het terugdringen van obesitas. Om de plannen handen en voeten te geven, installeert het kabinet vijf ‘gezondheidstafels’, waaraan o.a. worden uitgenodigd: Foodwatch, de Consumentenbond, Coca-Cola, McDonalds, Pizza Hut, Ahold, Jumbo en het Verbond van Snackbarhouders. Als laatste wordt ook nog Ekoplaza uitgenodigd. Wat denkt u, zou het lukken om tot een geloofwaardig en gezond transitietraject te komen?”. Het antwoord van beide heren: tuurlijk niet! Wat ze waarschijnlijk niet wisten, is dat dergelijke onderhandelingen momenteel plaatsvinden in het preventieakkoord. Aan tafel zitten net iets andere partijen dan de heren suggereren, maar het scheelt niet veel. En zoals je kunt verwachten, zijn ook daar partijen erg ontevreden. Zo deed de Transitiecoalitie Voedsel laatst eenzelfde oproep in Trouw als Kemeling en Rotmans: “Als je een preventieakkoord ontwikkelt met dit soort klassieke koepels, bepaalt per definitie de langzaamste in het peloton het tempo”.

Het sluiten van een ‘klassiek’ polderakkoord wordt vaak gezien als effectief lobbyinstrument om wetgeving te voorkomen of besluitvorming te vertragen. Door het sluiten van een akkoord hoeft het ministerie geen pijnlijke maatregelen te nemen, kan de industrie zelf het tempo en de maatregelen bepalen en worden maatschappelijke organisaties aan het akkoord gebonden voor draagvlak. Een effectief middel dat zorgt voor een groot draagvlak en bereik. Uitgelekte memo’s over een ‘meestribbelend bedrijfsleven’ helpen de beeldvorming echter niet en geven munitie aan de voorstanders van een progressiever model.

In het progressieve model van een coalition of the willing bepalen de hoogvliegers het tempo en het doel. De partijen kunnen daardoor de norm zetten voor hun concurrenten, genieten vaak breed draagvlak onder het maatschappelijk middenveld en het ministerie heeft een troef in handen om wetgeving wel in te voeren: de markt laat immers zien dat het kan. Het sluiten van een ‘coalitions of the willing’ is daarmee een mooi (nieuw) lobbyinstrument om tegen de gevestigde orde in te gaan en het eigen model neer te zetten als de weg vooruit.

Het poldermodel is van oorsprong een middel om werkgevers, vakbonden en overheid gezamenlijk tot een beter cao te brengen. Tegenwoordig wil elke sector een akkoord sluiten en het zoeken naar consensus zal in Nederland als polderland altijd in een zekere mate blijven. De vraag is echter of je nog moet aansluiten bij het akkoord voor een effectieve lobby? Polderen is een klassiek spel met een groot speelveld, waardoor het onderhandelingsproces lang duurt, maar je bereik groot is. Of vaar je met enkele gelijkgestemden een eigen koers waardoor je het tempo kan bepalen? Dit participatiemodel is sneller, waarbij vooraf een helder doel wordt geformuleerd en eenieder die mee wilt doen zich daaraan committeert. Beide vormen kunnen een effectief lobbyinstrument zijn, afhankelijk van het doel van de lobby die je wilt voeren. Wel zou wat meer coalitions of the willing het politieke speelveld interessanter maken.

Kennisasymmetrie: deugd of ondeugd in public affairs?

Scientia potentia est, kennis is macht. Maar steeds vaker loopt de kennis van de regering en het parlement substantieel achter op die van het bedrijfsleven, wat gepaard gaat met zorgen over de verschuiving van macht. Een kennisasymmetrie wordt namelijk vaak gezien als voordeel voor het bedrijfsleven, omdat zij door hun kennis invloed kunnen uitoefenen op wet- en regelgeving. In toenemende mate blijkt echter dat de kennisasymmetrie in de praktijk eerder een nadeel dan een voordeel is voor het bedrijfsleven. Zeker in sectoren waar kennisachterstand gepaard gaat met een gebrek aan vertrouwen wordt sneller gegrepen naar vergaande regulering. Deze veranderende dynamiek heeft implicaties voor de rol en strategie van public affairs professionals: nadruk op de rol van voorlichter, de noodzaak van het betrekken van non-profit expertise, een grotere focus op fractie- en beleidsmedewerkers, en meer noodzaak tot innovatieve samenwerking in een vroeg stadium om te komen tot gepaste regulering.

Kennisasymmetrie..
Hoewel de Nederlandse overheid niet vreemd is met het binnenhalen van expertise van buitenaf, is de afhankelijkheid van kennis van derden de afgelopen jaren sterk toegenomen. De groeiende kennisachterstand kent verschillende oorzaken. In het huidige informatietijdperk is er een enorme hoeveelheid informatie die ieder jaar exponentiele groeit. In 2010 zei toenmalig CEO van Google Eric Schmidt hierover: “There were 5 Exabytes of information created between the dawn of civilization through 2003, but that much information is now created every 2 days.” Deze groei aan informatie kan paradoxaal genoeg ten koste gaan van kennis wanneer aandacht constant wordt afgeleid door een nieuwe stroom aan informatie. Naast de hoeveelheid aan informatie groeit ook de complexiteit van (maatschappelijke) vraagstukken. Denk bijvoorbeeld aan de klimaatproblematiek en de snelle technologische ontwikkelingen zoals fintech en artificial intelligence.

Waar de informatiestroom exponentieel groeit, neemt de capaciteit bij de regering en het parlement om deze informatie te verwerken af. Door de bezuinigingen en het geloof in een ‘kleinere overheid’ is het ambtenarenapparaat substantieel kleiner geworden. Ook is er een hoog ambtelijk verloop waardoor opgebouwde kennis verloren gaat. Aan de kant van het parlement is het politieke landschap de afgelopen jaren sterk versnipperd. In de Tweede Kamer zijn er nu maar liefst dertien fracties. Door deze fragmentatie hebben Kamerleden steeds meer (en steeds complexere) onderwerpen in hun portefeuille en wordt er van ze verwacht dat ze expert zijn op tientallen dossiers. Tegelijkertijd hebben zij door een beperkt budget voor fractieondersteuning vaak maar enkele medewerkers tot hun beschikking. Door dit tekort aan inhoudelijke ondersteuning zijn zij nauwelijks in staat om de benodigde expertise om zich heen te verzamelen.

..een voordeel?
Door de kennisachterstand zijn de regering en het parlement vaak afhankelijk van derden voor kennis. Lobbyisten, afkomstig van zowel de private sector en maatschappelijk middenveld, spelen een grote rol in het vervullen van deze informatiebehoefte. In dat proces selecteren zij informatie en snijden dit toe op de behoefte van de politicus of ambtenaar. Vaak wordt gesteld dat door dit kennisvoordeel zij in staat zijn om invloed uit te oefenen op wetgeving. Als de verschafte informatie louter een middel is om een particulier doel te dienen, ontstaat het risico dat de overheid of het parlement private belangen gaat dienen in plaats van het algemeen belang. Dit wordt in de academische literatuur regulatory capture of specifieker knowledge capture genoemd. Als (extreem) voorbeeld wordt vaak de financiële crisis aangehaald, waar de kennisasymmetrie tussen financiële instellingen en de wetgever ertoe heeft geleid dat de wetgever de financiële crisis niet had voorzien en niet had weten te voorkomen.

..of een nadeel?
In toenemende mate blijkt dat deze kennisasymmetrie vaker een nadeel is dan een voordeel voor het bedrijfsleven. Dit is voornamelijk zo voor sectoren waarin het vertrouwen laag is. Na de financiële crisis heeft men het vertrouwen in de financiële sector verloren, waardoor er sneller gegrepen wordt naar regulering als oplossing. Regulering die ook steeds strikter, gedetailleerder en complexer wordt. Nu technologische vernieuwing in de financiële sector volwassen aan het worden is, wordt verwacht dat de wetgever met passende maatregelen te komen. Daarmee staan zij voor de uitdaging om alle benodigde kennis in te winnen, de risico’s en kansen van de complexe technologie voor bedrijven, consumenten en de stabiliteit van het financiële systeem te identificeren en op waarde te schatten en met regulering te komen die dit in balans brengt. Wereldwijd zie je als reactie dat fintech intensiever gereguleerd wordt.

Implicaties voor public affairs professionals
Wat betekent dit voor public affairs professionals? Ten eerste wordt hun rol als voorlichter groter en belangrijker. Zij hebben immers de benodigde kennis in pacht over bijvoorbeeld hun technologie. Tegelijkertijd worden zij geconfronteerd met een gebrek aan vertrouwen dat zij terug moeten winnen. Gezien het wantrouwen jegens het bedrijfsleven en de behoefte aan onafhankelijke informatie wordt non-profit expertise steeds belangrijker en daarmee ook voor een public affairs strategie. Daarnaast zal de lobby zich steeds meer gaan richten op de medewerkers van Kamerleden, omdat zij zich in toenemende mate ontwikkelen als inhoudelijk experts (en zelfs soms ook door andere fracties worden gevraagd om advies) en beleidsmedewerkers bij de overheid. Tot slot wordt het noodzakelijk om in vroeg stadium samenwerking te zoeken om de kansen en risico’s van nieuwe technologieën en passende maatregelen te onderzoeken, bijvoorbeeld door het opzetten van experimenteerruimte, ook wel de ‘regulatory sandbox’ genoemd. In plaats van regulering te voorkomen zet de public affairs professional vaker in op zorgvuldige, toekomst- en innovatiebestendige co-regulering.

Public affairs: een militaire operatie

12 juni 2018 – Aan de start van een succesvol lobbytraject wordt eerst een strategie opgesteld. Duidelijk voor ogen hebben wat het hoofddoel is, welke kansen en uitdagingen er zijn en welke stappen er gezet moeten worden om de doelen te bereiken liggen daarbij aan de basis. Het woord ‘strategie’ is afgeleid van het Griekse woord ‘strategos’; een algemene benaming voor een militaire bevelvoerder in de Griekse oudheid. Er zijn dan ook veel parallellen te trekken tussen strategische onderdelen van public affairs trajecten en militaire strategieën. Een aantal op een rij:

Stakeholderanalyse

Geen militair trekt vijandelijk gebied in zonder te weten wie zijn tegenstanders zijn, en een lobbyist wil precies weten wie er actief is op een bepaald dossier en wat de onderlinge verhoudingen tussen de stakeholders zijn. Tot enkele decennia geleden was het voor militairen heel duidelijk wie zijn tegenstanders waren. Ze droegen vaak een uniform waar je dit aan kon zien en het terrein van de tegenstanders was duidelijk afgebakend. Denk hierbij aan de burgeroorlog in de Verenigde Staten die werd uitgevochten op de battlefields waar de Drummer Boys het tempo aangaven van de militaire opmars. Of de loopgraven in de Eerste Wereldoorlog waar militairen wekenlang hetzelfde stuk land moesten verdedigen. Heel anders werd het met de guerrillaoorlogen die met de Vietnamoorlog hun intrede deden. Op het eerste gezicht is dan niet meer duidelijk waar iemand staat en welke onderlinge relaties er zijn. Binnen het vakgebied van public affairs is het even zo belangrijk om te weten met wie je te maken krijgt en hoe de onderlinge relaties zijn.

Sluit onwaarschijnlijke coalities  

De gelegenheidscoalitie, waarin meerdere actoren zich verenigen, is in opmars in de public affairs. Steeds vaker zien we coalities die bestaan uit een verrassende samenstelling. Op de meeste terreinen staan de actoren in een gelegenheidscoalitie recht tegenover elkaar, maar als het moet wordt er samen opgetrokken om een specifiek doel te bereiken. Zo’n coalitie van tegenstanders komt geloofwaardig over en krijgt snel voet aan politieke grond. In de geschiedenis werden coalities en bondgenootschappen vaak gevormd op basis van familiaire achtergronden. Wie de kaart van de bondgenootschappen uit de Eerste Wereldoorlog erbij pakt ziet dat de coalities van de geallieerden en de centralen als een lappendeken door elkaar liggen. In de huidige geopolitieke situatie is de aangehaalde relatie tussen Rusland en Turkije op het gebied van de defensie-industrie er een die, gezien de onderlinge geschiedenis, niet altijd voor de hand ligt. Het is ook nog maar de vraag hoe lang deze gelegenheidscoalitie stand houdt.

“Timing is everything”

Het juiste moment van handelen is essentieel voor een goede uitkomst. Position papers en berichten naar politici die niet op het juiste moment plaatsvinden zijn als losse flodders in de lucht. Weten hoe de processen lopen en wat het juiste moment van inzet is behoren tot de expertises van een public affairs adviseur of lobbyist. Alles komt aan op het goed omgaan met je instrumenten.

In de middeleeuwen kostte het maken van schilden, de benodigde wapens en versterkte wagens al snel drie maanden of langer. Als de legeraanvoerder zijn woede niet kon bedwingen en zijn manschappen er te vroeg op uitstuurde, verloor hij een te groot deel van zijn manschappen waardoor de stad in kwestie niet kon worden ingenomen. De huidige Doctrine Publicatie Landoperaties, waarin de basis voor het militair optreden van Nederland staat, noemt het belang van public affairs en timing zelfs letterlijk: “public affairs kan verder, door bewust met informatie en timing van berichtgeving om te gaan, bijdragen aan het verrassen van de opponent.”

Samenwerking

De Chinese generaal Sun Tzu schreef in de vijfde eeuw voor Christus zijn handboek ‘The Art of War, over strategieën voor conflictbeheersing. Een van zijn meest bekende opvatting luidt als volgt: “Honderd overwinningen halen in honderd slagen is niet de hoogste uitmuntendheid; het leger van de vijand onderwerpen zonder strijd is de hoogste uitmuntendheid.” En zo is het maar net. Wie met de juiste strategie en overtuigingskracht zijn doel weet te bereiken heeft in Den Haag de meeste invloed.

Theateravond 2018: Vertrouwen en optimisme

Dinsdag 15 mei had Dröge & van Drimmelen de eer om schrijver en oud-politicus Jan Terlouw te verwelkomen op de jaarlijkse theateravond. Met deze traditie biedt het bureau haar relaties niet alleen een gezellige en inspirerende avond, maar bedanken we hen ook voor de geslaagde samenwerking. In de zaal zaten vele gasten uit politiek en bedrijfsleven, waaronder Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Sigrid Kaag.

Muzikaal ondersteund door het Leonard Ensemble hield Jan Terlouw een inspirerende vertelling over het hedendaags consumentisme en de voetafdruk die dit nalaat op onze planeet. In het daaropvolgende vraaggesprek met Marieke van der Werf ging Terlouw dieper in op de grote thema’s van de eenentwintigste eeuw.

In het verhaal van Terlouw hield de protagonist er een pessimistisch mensbeeld op na, waar de positieve blik van zijn wederhelft uiteindelijk de strohalm was die de hem uit het moeras van neerslachtigheid hielp. Uiteindelijk is de mens in staat om grote problemen als klimaatverandering op te lossen, zoals in het verleden ook problemen als slavernij zijn aangepakt. In het tweegesprek kreeg Terlouw de vraag of hij zichzelf ziet als pessimist of als optimist. Hoewel hij minder optimistisch is dan vroeger en bepaalde zaken in de huidige maatschappij snel moeten veranderen, bood met name de houding van jongere generaties ten aanzien van welvaart en duurzaamheid hem vertrouwen in de toekomst. Want vertrouwen is volgens Terlouw essentieel om de grote problemen het hoofd te bieden.

De kwestie die het verhaal van Terlouw opwerpt is een interessante, want in hoeverre kunnen we positief zijn over de stand van zaken in Nederland en de wereld an sich? En kan dat überhaupt objectief worden vastgesteld? Een lastige vraag, want hoe verhouden ontwikkelingen als de sterke economische groei zich bijvoorbeeld ten opzichte van klimaatverandering? Of een stijgend niveau van opleiding tegenover een groeiende kloof tussen arm en rijk?

In het kader van deze discussie is het bijzonder dat het Centraal Bureau voor de Statistiek uitgerekend deze week de eerste uitgave van haar Monitor Brede Welvaart publiceerde. In dit rapport wordt niet alleen gekeken naar de brede welvaart hier en nu, maar ook in hoeverre deze welvaart een schaduw werpt op toekomstige generaties en op andere landen. De totstandkoming van het rapport is mede ingegeven door een speech van Amerikaans politicus en presidentskandidaat Robert Kennedy. In de speech uit 1968 benadrukt Kennedy de tekortkoming van het meten van welvaart aan de hand van cijfers als het Bruto Binnenlands Product. In deze cijfers worden immers ook zaken als luchtvervuiling, de stijgende kosten van gezondheidszorg en de wapenindustrie meegenomen – ontwikkelingen die een negatieve impact hebben op de aarde en daarmee ook op het welzijn van de mens. Cijfers en indicatoren als het BBP vormen slechts een deel van de waarheid: it measures everything in short, except that which makes life worthwile.’

De publicatie van dit rapport zal niet meteen zorgen voor een transitie, maar de inhoud is zeer bruikbaar in het politieke en maatschappelijk debat. Door verder te kijken dan alleen cijfers als het BBP, maar ook thema’s als gezondheid, veiligheid en milieu mee te nemen ontstaat er een veel breder beeld over hoe Nederland er voorstaat.

De Monitor Brede Welvaart past in mijn optiek in een bredere trend waarin kritisch wordt gekeken naar de maatschappij. Websites en kranten berichten bijvoorbeeld dagelijks over thema’s als klimaatverandering en privacy. Het huidige kabinet heeft een belangrijke stap gezet in de energietransitie door de gaskraan dicht te draaien. En door de opkomst van online deelplatforms en circulair ondernemen worden er belangrijke stappen gezet in een meer duurzame economie. Hiermee is de huidige generatie op weg naar een nieuw economisch model, waarin duurzaamheid een belangrijke rol speelt. En dat biedt reden tot optimisme en vertrouwen in de toekomst.

"Theateravond_2018.png"