Categorie archieven: Blog

De speld in de hooiberg: op zoek naar die ene relevante tweet

Een aantal jaar nadat Twitter in 2006 werd opgericht steeg de populariteit wereldwijd explosief. In de eerste jaren van het vorige decennium was het een ontdekkingsreis. Want hoe giet je een boodschap eigenlijk in slechts 140 tekens zonder daarmee aan de inhoud van wat je wil overbrengen, af te doen? De miljoenen gebruikers vormden echter een interessant en gevarieerd publiek, waardoor al snel bleek dat Twitter een belangrijke component in de communicatiestrategie van iedere organisatie werd. Gedurende het afgelopen decennium is het publiek veranderd. Waar mensen het medium in eerste instantie voor sociaal gebruik benutten, is dit steeds meer teruggebracht naar marketing en inhoudelijke berichtgeving

Twitter en politiek

Twitter is nu niet meer weg te denken uit het politieke debat. Voor de politicus is Twitter nog steeds dé plaats voor scherpe inhoudelijke reflectie en terugkoppeling. Het medium kent iets minder gebruikers dan voorheen, maar is bij uitstek de plaats waarop scherpe, inhoudelijke en voor public affairs relevante inzichten worden gedeeld. Het filteren van al die tweets op basis van relevantie voor uw organisatie, is een lastige opgave. Aangezien optimale belangenbehartiging om momentum draait, is tijdig op de hoogte zijn van de relevante twitteractualiteit, van wezenlijk belang. Onze monitoringsservice Haagse Kennis leidt u middels haar algoritmes vakkundig door het woud van eindeloze tweets heen, op zoek naar de speld in de hooiberg: die ene voor u relevante tweet, die voor uw werk als public affairs-professional, goud in handen kan zijn.

In tegenstelling tot een debat in de Kamer, waarin politici met regelmaat middels wollige, abstracte omschrijvingen – bewust of onbewust – op de vlakte blijven, daagt het medium Twitter politici namelijk uit om beknopt en gevat hun boodschap over te brengen. Die scherpe en nuance-vermijdende manier van positioneren geeft veel informatie over de stellingname van politici: wat zij belangrijk vinden en hoe zij zich verhouden tot hun politieke tegenspelers. De meerderheid van de Kamerleden gebruikt Twitter bovendien niet met de zeer grote regelmaat die tot willekeurigheid leidt, maar wel regelmatig genoeg om een redelijk compleet overzicht te geven van wat hen bezighoudt. Het legt de nadruk op prioriteiten, vormt een stukje extra duiding, pakt de essentie beet van wat politici over hun werkzaamheden mee willen geven en vormt als ware een – bescheiden – persoonlijk profiel. Zo komt het bijvoorbeeld redelijk vaak voor dat Kamerleden, wanneer zij schriftelijke vragen hebben gesteld, deze op Twitter delen, en daar kernachtig een standpunt aan toevoegen, en geeft het daarnaast vaak waardevolle context aan de gekozen toon in een debat.

Belangrijk gereedschap

Al deze ‘vluchtige’ informatie is voor public affairs-professionals van grote relevantie. Wanneer blijkt dat een Kamerlid veel interesse toont voor een bepaald onderwerp, daar ongenuanceerd en uitgesprokener over is, is dat voor public affairs relevant omdat u daarmee gericht uw stakeholders kunt uitkiezen en op maat kunt benaderen. De algoritmes van Haagse Kennis filteren alle tweets van relevante politici en bestuurders op de door u aan te leveren trefwoorden. Vervolgens bepalen onze adviseurs, op basis van deze door het algoritme gemaakte selectie, of de tweet ook daadwerkelijk relevant is voor uw organisatie, en of er mogelijk tweets aan uw selectie moeten worden toegevoegd. Vervolgens ontvangt u aan het eind van de werkdag, gezamenlijk met alle andere voor u relevante politieke stukken, een gespecificeerd overzicht van alle voor u relevante tweets, waarop u vervolgens uw strategie kunt afstemmen. Daarmee vormt Twitter een belangrijk stuk gereedschap in uw public affairs-toolbox.

U kunt voor meer informatie contact opnemen met Jonathan Mol via j.mol@dr2.nl

Dagelijks de Haagse Actualiteit in uw mailbox

Het politieke proces is vaak grillig en vluchtig. Optimale belangenbehartiging draait om momentum; het momentum om op het juiste moment in te spelen op de actualiteit en de juiste stakeholders hierbij te betrekken. Honderden documenten worden er op dagelijkse basis in Den Haag gepubliceerd, zowel door de Kamer, in de vorm van bijvoorbeeld schriftelijke vragen en moties, als door de regering, zoals brieven, wetsvoorstellen en rapporten. Daarnaast zijn er nog tientallen andere belangrijke instituten zoals de Raad van State en planbureaus. Zonder structuur en overzicht is het bijna een onmogelijke opgave om al deze stukken op basis van relevantie voor uw organisatie te filteren, en met name om vroeg genoeg op de hoogte te worden gesteld om er vervolgens proactief op in te kunnen spelen. Daar heeft Dröge & van Drimmelen al jaren een oplossing voor, onze monitoringsservice Haagse Kennis(https://haagsekennis.nl)

Dagelijks up-to-date

Naast dat Dröge & van Drimmelen zelf alle relevante documenten voor klanten duidt en vervolgens van gericht advies voorziet, bieden wij klanten ook zelf de mogelijkheid om een integraal, volledig en gespecifieerd overzicht van alle relevante stukken dagelijks in de mailbox te ontvangen. Met name voor bedrijven en organisaties die een eigen PA-afdeling in huis hebben, kan dit van grote toegevoegde waarde zijn. De monitoringsservice Haagse Kennis hebben wij een aantal jaar terug samen met het ANP en PDC Informatie Structuur opgezet. De dienst is constant in ontwikkeling, wat betekent dat er met regelmaat nieuwe features worden toegevoegd, zoals een overzicht van alle relevante twitterberichten. Onze algoritmen slagen er namelijk in om uit een stortvloed van duizenden twitterberichten, alleen de relevante highlights te selecteren en die overzichtelijk aan u te presenteren. Daarnaast kijkt onze monitor ook vooruit, want door een zo compleet mogelijk overzicht van de agenda’s van zowel Kamer en regering, zoals afspraken van bewindslieden, te geven, weet u wat er de komende tijd gaat spelen.

Onze monitoringsservice Haagse Kennis werkt op basis van algoritmen die voortdurend doorontwikkeld worden. Als klant levert u bij ons aan welke dossiers belangrijk zijn om te monitoren. Vanzelfsprekend kunnen we u daarbij ondersteunen. Dit gebeurt op basis van trefwoorden. Het systeem sorteert vervolgens alle voor u relevante stukken in een overzichtelijke, dagelijkse nieuwsbrief. Omdat het gebruik van algoritmen soms om handmatige verfijningen vraagt, voeren onze adviseurs vervolgens ook een nadere analyse uit, waardoor het dagelijkse overzicht op maat is en perfect aansluit op alle voor u relevante stukken; niet meer, niet minder. De stukken in de dagelijkse nieuwsbrief zijn bovendien geordend in kolommen die weergeven in welk stadium de stukken zich bevinden. Hierop kunt u vervolgens uw strategie afstemmen. Ook in een vroeg stadium, nog voordat een wetsvoorstel naar de Kamer wordt verzonden, wordt het namelijk eerst ter consultatie aan de samenleving, en vervolgens aan de Raad van State, aangeboden. De sectie pre-dossiers brengt dit proces overzichtelijk in beeld.

Kennis is macht

In feite voorziet Haagse Kennis daarmee in het adagium ‘Kennis is Macht’. Dat een document van grote strategische waarde is voor uw organisatie, of belangrijke informatie bevat, hoeft namelijk niet te betekenen dat deze ook automatisch via de media of andere berichtgeving bij u terechtkomt. Vaak wordt belangrijke informatie namelijk – bewust of onbewust – begraven in een stortvloed aan stukken. Als deze stukken op opvallende momenten gepubliceerd worden, bijvoorbeeld net voor het weekend, ontsnappen deze vaak aan de aandacht. Daarnaast wordt er met regelmaat vanuit strategisch oogpunt voor gekozen om gevoelige en belangrijke informatie niet direct uit te meten.

Zoeken naar een speld in een hooiberg is naast vermoeiend, ook riskant. De slagingskans is immers beperkt. Daarom biedt Dröge & van Drimmelen u tegen een scherpe prijsstelling de mogelijkheid aan om middels goed afgestelde algoritmen enerzijds, en een handmatige, verfijnde controle door onze adviseurs anderzijds, de speld in de hooiberg, direct en overzichtelijk dagelijks in uw mailbox terug te vinden. Voor de kansen en mogelijkheden voor uw organisatie, gaan wij graag met u in gesprek!

U kunt voor meer informatie contact opnemen met Jonathan Mol via j.mol@dr2.nl

De informateur als illustere pijler in ons staatsbestel.

‘Je kunt merken dat deze man ervaring heeft’, dat waren de woorden van Farid Azarkan na zijn gesprek met Herman Tjeenk Willink, die de moeilijke taak had gekregen om de politieke impasse te doorbreken. Twee weken daarvoor was de 79-jarige Tjeenk Willink te gast in het politieke praatprogramma Spuigasten. Op de vraag of hij bereid zou zijn om wederom informateur te worden, antwoordde hij: ‘Het is volgens mij armoede als je moet constateren dat je alleen bij een 79-jarige kan uitkomen – hoe leuk dat voor die 79-jarige ook voor één dag is. Maar het is niet goed.’

Achtmaal informateur

Nederland heeft, vergeleken met bijvoorbeeld de Verenigde Staten, geen cultuur van senioriteit als belangrijk ijkpunt in de politiek. Het landsbestuur ligt van oudsher vooral in handen van veertigers en vijftigers. Kijkend naar de rijke geschiedenis van Nederlandse informateurs, blijkt dat adagium echter niet op te gaan. Juist in deze positie hebben senioriteit en ervaring een belangrijke rol gespeeld. Weinigen komen in de buurt van de staat van dienst van de gelouterde Tjeenk-Willink, die zesmaal informateur is geweest. Hij wordt slechts afgetroefd door de staatsman Louis Beel, die de functie achtmaal heeft vervuld. Dat werpt de vraag op; wie is dé informateur?

In de schaduw van Tjeenk-Willink en Beel staan mannen, veel mannen. Vrijwel allemaal van (ruim) boven de vijftig en met een behoorlijke statuur. Alleen Edith Schippers en Els Borst vormden tot op heden de uitzondering, tot Mariëtte Hamer vorige week donderdag aan dit rijtje werd toegevoegd. De afstand van de informateur tot de politieke praktijk van dat moment loopt uiteen en is vaak afhankelijk van de opdracht. Dat brengt ons erbij dat er grofweg twee type informateurs bestaan: vooruitgeschoven vertrouwelingen en meer onafhankelijke ‘staatslieden’.

Vertrouwelingen of staatslieden

De keuze voor de eerste categorie, de informateur uit de vertrouwenshoek van de lijsttrekker, ligt vaak voor de hand. Voorbeelden uit de afgelopen twee decennia zijn Henk Kamp, Piet Hein Donner, Edith Schippers, Ivo Opstelten en Wouter Bos. In dit rijtje past bijvoorbeeld ook Jan de Koning, die als vertrouweling van Lubbers driemaal in de jaren tachtig de rol van de samenbindende man in de formatie vervulde. CDA-historicus Kroeger stelde recentelijk over hem: ‘Hij was ‘de gouden standaard’ als verkenner en informateur. Een minister die elke onmogelijke kwestie en zware post aankon. Toen men gisteren zei ‘we moesten maar terug naar de Koning’ had men ‘naar Jan de Koning’ moeten zeggen.’

De tweede categorie is omgeven met mystiek. De desbetreffende heren, allemaal ruimschoots de zestig gepasseerd, zijn in onze geschiedenis vrijwel altijd opgeroepen in politieke impasses. Zo vroeg men in de moeilijke formatie van 1981 de ervaren, progressieve, 70-jarige ARP’er De Gaay Fortman, om de brug te slaan naar het kabinet Van Agt-II. Vier jaar daarvoor werd eenzelfde sleutelrol vervuld door de 64-jarige Wim van der Grinten, die, 26 jaar na zijn vertrek uit de politiek, in korte tijd het duo Wiegel en Van Agt samensmeedde. PvdA-onderhandelaar Van Thijn stelde in zijn befaamde onderhandelingsdagboek: “Het is een schrale man. Niet gewend aan publiciteit, wel aan invloed. Meer een regisseur dan een acteur.” Een recent voorbeeld betreft de formatie van 2003, toen de 71-jarige minister van Staat Frits Korthals Altes en de 61-jarige staatsraad Rein Jan Hoekstra, erin slaagden om, nadat Piet Hein Donner er niet in geslaagd was om de PvdA en het CDA te binden, D66 te overtuigen om voor de eerste maal in de geschiedenis in een centrumrechts kabinet met het CDA en de VVD te stappen.

Naast leeftijd, zijn er nog twee ‘wetmatigheden’. Enerzijds het lidmaatschap van de Raad van State, anderzijds de (vroegere) invloed van het staatshoofd, die vrijwel altijd vertrouwelingen koos. Minister van staat Ruud Lubbers (2006 en 2010), is hier, als goede vriend van Beatrix, het meest recente voorbeeld van. Haar moeder Juliana leunde op de voormalige KVP-premier Louis Beel. In 1963, 1966 en 1967 werd hij als vicepresident van de Raad van State opgeroepen om de gemoederen te sussen. De gelijkenissen met Tjeenk Willink zijn tekenend. Zo stelde De Volkskrant in 1963: ‘Koningin Juliana heeft weer teruggegrepen naar de wat ouderere garde, de katholieke dr. Louis Beel gaat het politieke terrein voor haar verkennen…’ In 1967 liet De Waarheid zich in gelijke bewoordingen uit: ‘De onvermijdelijke Beel’ wordt hij in de Haagse wandelgangen genoemd: prof. dr. Louis Maria Beel, de 64-jarige KVP-politicus, die ook bij deze kabinetsformatie weer een van de sleutelfiguren achter de schermen blijkt te zijn.’

Formatie 2021

Terug naar 2021. Begin vorige maand, na meerdere zeer verhitte debatten, bleek politiek Den Haag, toe aan ‘rust’. Misschien dat juist in die neiging naar ‘rust’, de sleutel ligt van de reeks aan ervaren informateurs van respectabele leeftijd. Politiek is namelijk geen kwestie van wetmatigheden; het draait om mensen, met ideeën, emoties en karakters. De informateur daarentegen, straalt, als drager van ons rijke politieke verleden, mystiek, soberheid en gezag uit. Hij belichaamt de noodzaak om het ‘schip der staat’ op koers te houden, weg van politieke ego’s en de ruis van alledag. De keuze voor een informateur is dan ook onlosmakelijk verbonden met onze parlementaire cultuur.

In dat kader is er met de keuze voor Mariëtte Hamer, voorheen PvdA-politica en nu SER-voorzitter, op z’n minst sprake van een kleine trendbreuk. Die trendbreuk leidt hopelijk spoedig tot resultaat. Hamer heeft van de Kamer tot 6 juni gekregen om te onderzoeken welke partijen kunnen gaan formeren.

Meer moties, minder impact

Een motie is een beproefd middel voor Kamerleden om politiek iets voor elkaar te krijgen. De bedoeling van een motie is het bewegen van het kabinet tot extra inzet op een bepaald onderwerp of tot een andere beleidskoers. Hoewel aangenomen moties niet bindend zijn voor het kabinet, kan het wel tot een interne crisis leiden wanneer een motie niet wordt uitgevoerd. Om een motie aan te nemen zijn immers óók coalitiestemmen nodig om de benodigde 76 voorstemmen te behalen.

Profilering

Naast de inhoudelijke beweegredenen is een motie ook een mooie kans voor Kamerleden zich te profileren. In een eerdere blog schreef ik al dat deze profilering, mede door de komst van sociale media, steeds belangrijker is geworden voor Kamerleden. Kamerleden zijn met een bepaalde ambitie en drive het ambt aangegaan en zitten daar om, in lijn met de partijideologie die ze aanhangen, iets te betekenen voor de maatschappij. Ze bekleden dat ambt echter enkel voor de periode dat ze interessant genoeg worden bevonden door hun partij. Deze profileringsdrang zien we terug in het aantal ingediende moties. De NOS berekende eerder dat waar er in 2017 nog 2471 moties zijn ingediend, dit inmiddels is gestegen tot boven de 4100 moties per jaar. Recessen niet meegerekend komt dit neer op meer dan 100 moties waar wekelijks over gestemd wordt. Bijkomend element van de afgelopen jaren is dat ná de stemmingen de Tweede Kamer in een handig overzicht laat zien welke partijen voor of tegen een motie hebben gestemd. Dit maakt het alleen maar aantrekkelijker voor Kamerleden om, via social media, hun motie bij een breed publiek kenbaar te maken en tegelijkertijd meteen schande te spreken van de partijen die tegen hebben gestemd.

Kosten

De kosten en druk op het ambtelijk apparaat van al deze moties zijn hoog. Zo moet iedere aangenomen motie worden uitgewerkt en (op een herleidbare manier) worden opgenomen in het kabinetsbeleid. Oók wanneer een minister of staatssecretaris al heeft laten weten dat de motie in lijn is met het kabinetsbeleid en daarom dus al wordt uitgevoerd. Wanneer alle kosten hiervoor, dit betreft voornamelijk personele uren van ambtenaren, worden meegewogen kost één motie al snel meer dan 7000 euro. Met het grote aantal aangenomen moties per week gaat dit over enkele miljoenen euro’s per jaar.

Wanneer de inhoud voorop staat is een motie echt niet altijd het meest invloedrijke middel om het beleid te veranderen. Wanneer de minister of secretaris tijdens een debat de toezegging doet een bepaalde wens of suggestie mee te nemen in het beleid is deze namelijk veel steviger verankerd. Een toezegging is daarnaast, in tegenstelling tot een motie, niet afhankelijk van stemmingen en hoeft dus niet met een meerderheid te worden aangenomen. Bij een toezegging kan er vanuit worden gegaan dat de bewindspersoon er zelf ook het belang van inziet waardoor de motivatie om het beleid op de juiste manier aan te passen groter is.

Scorebordpolitiek

De roep om minder politiek theater en meer focus op de inhoud lijkt echter nog niet aan te slaan. In 2019 pleitte GroenLinks-fractievoorzitter Jesse Klaver al om te stoppen met ‘scorebordpolitiek’. Naast lovende geluiden over zijn oproep leverde hem dit ook de nodige kritiek op. Niet in de minste plaats uit zijn eigen partij. Zou het GroenLinks immers op deze manier wel lukken zich genoeg te laten zien richting de kiezer? Het lijkt daarom steeds vaker om het persoonlijke profiel dan om de inhoud te gaan en scoringsdrift en haantjespolitiek voeren de boventoon.

Daar is veel kritiek op vanuit de media, maar de media werkt hier zelf aan mee. Ieder jaar verschijnen er weer verschillende artikelen waarin de invloed van Kamerleden, mede gebaseerd op aangenomen moties, langs de meetlat wordt gelegd. Vanzelfsprekend willen Kamerleden liever in de top 10 van invloedrijke Kamerleden voor komen dan in het rijtje backbenchers. Zo blijft de cirkel van moties, profileringsdrang en media aandacht in stand en wordt door de lawine aan moties de kracht van een motie uitgehold. Ik ben benieuwd of de nieuwe ‘Haagse bestuurscultuur’ hier verandering in weet te brengen!

Het ideale Kamerlid: een catch-22

De verkiezingen zijn achter de rug en de Kiesraad heeft vorige week de exacte zetelverdeling én voorkeursstemmen bekend gemaakt. Vandaag, 31 maart, wordt er weer een grote groep nieuwe Kamerleden beëdigd die met frisse energie gaan starten aan deze eervolle baan als volksvertegenwoordiger.

Verwachtingen

Maar wat wordt er van die Kamerleden verwacht? Natuurlijk staat voorop dat het draait om de inhoudelijke portefeuilles. Kamerleden zijn (in de meeste gevallen) deze uitdaging aangegaan omdat ze een bepaalde visie hebben over hoe ze Nederland beter willen maken. Om dat te kunnen doen heb je invloed nodig. Die invloed is alleen niet voor alle 150 Kamerleden even groot. Om als Kamerlid je plek te veroveren tussen de ‘a-listers’ in de Kamer, en niet het predicaat backbencher te krijgen, moeten de Kamerleden zich profileren.

Profileren

Profileren kan op verschillende manieren én op verschillende plekken: zowel binnen de partij als in de media. Uiteindelijk gaat het er om dat Kamerleden zo veel mogelijk voor elkaar weten te krijgen en er vervolgens ook de aandacht op weten te vestigen. Dat laatste is alleen niet altijd even makkelijk. Als een Kamerlid iets voor elkaar krijgt zonder dat er mot over komt in de coalitie is het voor de grootste dagbladen niet interessant genoeg. Als een Kamerlid iets voor elkaar weet te krijgen waar de coalitiegenoten niet blij mee zijn, moet een Kamerlid niet gek opkijken als zij of hij bij de fractievoorzitter op het matje moet komen. Daarnaast moet je als Kamerlid soms een lange adem hebben om te kunnen scoren. Het proces van een wetswijziging kan soms zo lang duren dat tegen de tijd dat de behandeling aan bod is de woordvoerder al lang een andere portefeuille kan hebben óf het Kamerlid inmiddels is afgezwaaid. Als een woordvoerder zich wil gaan inspannen voor jouw belang denk er dan ook aan welke rol jij kunt spelen in het vertellen van dat verhaal. Oftewel niet alleen maar ‘halen’ maar ook ‘brengen’.

Het afscheid

En hoe gaat het als de Kamertermijn er op zit? Dat kan om vele redenen zijn: omdat je als Kamerlid zelf weer een andere richting op wilt, jouw partij je te kennen heeft gegeven je ‘kwaliteiten niet meer nodig te hebben op de nieuwe lijst’ of jouw partij niet genoeg zetels heeft gehaald. Als je voortijdig de Kamer uit gaat is het kiezersbedrog en krijg je als Kamerlid te horen dat je voor je eigen gewin gaat. Heb je direct na het aflopen van je Kamerlidmaatschap een nieuwe baan? Dan is het vast voorgekookt wat je onbetrouwbaar maakt. Als je gebruik maakt van het wachtgeld, word je als oud-Kamerlid gezien als uitkeringstrekker die alleen maar pluche wil kleven. Kamerleden en oud-Kamerleden liggen onder een vergrootglas en doen het vaker niet dan wel goed in de ogen van de publieke opinie.

Ik geef het de nieuwe Kamerleden te doen. Het lijkt mij niet makkelijk om op dit moment alle politieke finesses in de vingers te krijgen vanachter je scherm. Ze moeten hard aan de bak. Niet alleen om hun idealen te verwezenlijken en Nederland een stukje mooier te maken, maar ook omdat de campagne voor 2025 gisteren al is begonnen en de vacature voor hun baan open staat. Desalniettemin wens ik alle 150 nieuwe Kamerleden veel succes met hun nieuwe eervolle taak de komende jaren.

De weg naar het bordes

Dat de formatie met het vertrek van verkenners Jorritsma en Ollongren een valse start heeft gemaakt, hoeft geenszins een voorbode te zijn voor het verdere verloop. De formatie van 2017 was met 225 dagen de langste sinds de Tweede Wereldoorlog. Haar voorganger, de formatie van 2012, steekt daar met ‘slechts’ 54 dagen schril bij af.

Hoe zit een formatie eigenlijk in elkaar? In de Grondwet staan geen regels over de procedure. Slechts het aftreden van het oude kabinet en het benoemen van het nieuwe kabinet door het staatshoofd staan opgetekend. De procedure van een kabinetsformatie is daardoor veelal gebaseerd op ongeschreven staatsrecht en gewoontes.

Verkenning

De verkenningsfase start op de dag na de verkiezingen. De keuze voor een verkenners-duo was uniek, en bevestigde de ambitie van VVD en D66 om gezamenlijk ‘het motorblok’ te vormen. In 2017 viel de eer ten deel aan Edith Schippers. In 2012 aan Henk Kamp. Tot en met de formatie van 2010 vervulde het Staatshoofd de rol van verkenner, die vervolgens ook zowel de informateur(s), als de formateur benoemde. Dit mandaat ligt nu bij de Tweede Kamer. De taak van verkenners is gericht op het in kaart brengen van coalitiemogelijkheden. Schippers adviseerde na 11 dagen om VVD/CDA/D66/GroenLinks te onderzoeken. Kamp gaf na ‘slechts’ 5 dagen het startschot tot gesprekken van de combinatie VVD/PvdA. Beiden werden vervolgens ook als informateur aangesteld.

Informatie

Uiterlijk een week na de installatie van de nieuwe Tweede Kamer debatteert de Kamer met de verkenners over de verkiezingsuitslag, formuleert ze een informatieopdracht en benoemt ze een (of meerdere) informateur(s). Hiervoor is het verslag van de verkenner(s) het belangrijkste uitgangspunt. De informateur begeleidt vervolgens de onderhandelingen van een specifieke coalitie en is daarbij gehouden aan de informatieopdracht van de Tweede Kamer.

Dat een verkenner na zijn werkzaamheden ook aan de slag gaat als informateur is geen gegeven. In de twee voorgaande gevallen is dit wel gebeurd. Waar Schippers in 2017 alleen aan zet was, kreeg Kamp in 2012 gezelschap van Wouter Bos, wat logisch was met het oog op een aanstaande coalitie van VVD en PvdA. Schippers leidde vervolgens twee informatiefases, die beide stuk liepen. Allereerst onderzocht zij, op basis van haar eigen advies, de combinatie VVD-CDA-D66-GroenLinks. Nadat dit stuk liep voerde zij wederom verkennende gesprekken, die zij afsloot met het advies om een nieuwe informateur in te schakelen: Herman Tjeenk-Willink.

Sneuvelt een informatieprocedure alsnog, dan wordt een informateur aangewezen die opnieuw tot de inventarisatie van coalitiemogelijkheden overgaat. Dit kan dezelfde, of een nieuwe informateur zijn. Na een succesvolle eerste fase kan een informateur vervolgens ook het stokje overdragen aan een andere informateur, die wederom benoemd wordt door de Kamer. Zo kwam Balkenende IV na 92 dagen tot stand, nadat deze formatie was begeleid door 2 informateurs: Rein Jan Hoekstra bracht de voorkeurscoalitie in kaart, waarna Herman Wijffels de onderhandelingen leidde. De formatie van 2010 was complexer. De Koningin was voor de laatste keer ‘aan zet’ en benoemde in totaal vijf verschillende informateurs, hetgeen uiteindelijk tot de gedoogconstructie met de PVV leidde.

De formatie van 2017 was minder complex, maar wel lang. Tjeenk-Willink rapporteerde in juni dat de enige optie voor een meerderheidskabinet bestond uit VVD, CDA, D66 en ChristenUnie, en gaf het stokje vervolgens door aan Gerrit Zalm. Zalm kwam ‘pas’ 3,5 maand later met het – zeer uitgebreide – regeerakkoord. Na 225 dagen stond Rutte III op het bordes. De formatie van 2012 daarentegen, verliep snel. Informateurs Kamp en Bos overlegden ‘slechts’ vijf weken met de PvdA en de VVD, waardoor Rutte II al na 54 dagen werd beëdigd.

Formatie

Vaststaat dat de laatste informateur van een geslaagde kabinetsformatie succesvolle onderhandelingen afrondt met een regeerakkoord. Dit betreft in eerste instantie een concept. Nadat de betrokken Tweede Kamerfracties hebben ingestemd met het coalitieakkoord, schrijft de informateur het eindverslag en stelt voor om een formateur te benoemen.

Vanaf dat moment gaat het snel. De formateur is in principe altijd de nieuwe minister-president, en afkomstig van de grootste coalitiepartij. Het is inmiddels bijna vijftig jaar geleden dat dit anders lag, met Barend Biesheuvel als meest recente uitzondering. De formateur stelt het kabinet samen door te bepalen hoe de verdeling van ministers en staatssecretarissen vorm krijgt en rond af door te zoeken naar geschikte kandidaat-bewindslieden voor de portefeuilles. In de praktijk lopen deze processen door elkaar heen en wordt al in een vroeger stadium (intern) gesproken over de verdeling van ministersposten. In theorie kan een formatie in deze fase nog mislukken. Dit is echter nog nooit gebeurt.

Het sluitstuk van het formatieproces betreft een constituerend beraad, waarin alle kandidaat-minister het verslag van de formateur vaststellen en het coalitieakkoord onderschrijven. Tenslotte spreekt de formateur (en beoogd minister-president) in de Kamer de regeringsverklaring uit, waarna de weg naar het bordes openligt.

Nieuw Reglement van Orde

New year, new me. Dit lijkt ook te gelden voor de Tweede Kamer. Na jaren voorbereiding heeft zij op de valreep – in het verkiezingsreces – een grote herziening van het Reglement van Orde goedgekeurd. De wijziging gaat na de verkiezingen in bij de komst van de nieuwe Kamer.

Regelement van orde

In het Reglement van Orde wordt de werkwijze van de Tweede Kamer geregeld. Het zijn veertig pagina’s met veel procedurele afspraken. Sommige intern gericht, anderen zeer relevant en interessant voor iedereen die de politiek volgt of een stem wil laten horen. Deze blog licht een tipje van de sluier.

Wijzigingen

Een van de belangrijkste doelen van de herziening was om politiek begrijpelijker te maken. Regels die niet meer of anders nageleefd worden, aanpassen. Taalgebruik versimpelen. Dat is deels gelukt. Zo heet een ‘AO’ (Algemeen Overleg) voortaan gewoon een commissiedebat. Precies wat het is: een debat in een kleinere zaal van de Kamer met woordvoerders over een bepaald onderwerp van de verschillende partijen. Het vervolg waarin moties worden ingediend wordt niet langer een ‘VAO’ genoemd maar een tweeminutendebat (als de Kamer zich dit nieuwe taalgebruik ook daadwerkelijk weet aan te leren). Vernoemd naar de tijd die elke spreker heeft om moties in te dienen.

Wat de politieke gedachtewisseling ook makkelijker te volgen maakt, is een nieuwe opzet voor hoorzittingen. Tot nu toe was er vaak weinig verschil tussen een rondetafelgesprek en een hoorzitting. Dat gaat onder het nieuwe Reglement veranderen. Kamerleden kunnen voortaan een-op-een doorvragen op de genodigde. Dit maakt het makkelijker om de diepte in te gaan, een goed antwoord te krijgen of te geven – maar vooral ook om net als Amerikaanse politici leuke filmpjes te knippen voor social media. Als genodigde wordt het extra belangrijk om jezelf goed voor te bereiden. Het is een enorme kans jezelf en je organisatie goed voor het licht te zetten – maar ook risicovoller: genodigden kunnen scherper worden bevraagd.  Wij denken graag met onze opdrachtgevers mee over de beste voorbereiding op deze hoorzittingen.

Daarnaast worden een aantal procedurele trucjes lastiger of onmogelijk gemaakt. Zo vervalt de eindtijd voor plenaire vergaderingen. Deze eindtijd stond op 23 uur, maar werd nooit gehandhaafd. Ook is het niet meer nodig om mede-ondersteuning van tenminste vier leden voor een motie te hebben. Elke motie kan dus worden ingediend. Maar wel alleen in de tweede termijn – een motie is immers opgesteld naar aanleiding van ‘de beraadslaging’.

Het is ook de bedoeling om in de plenaire zaal minder tijd kwijt te zijn aan de Regeling van Werkzaamheden. Bij deze vergadering op dinsdag en vaak ook woensdag en donderdag vragen Kamerleden debatten aan en andere spoedeisende zaken. Het voornemen is meer daarvan in commissieverband te doen. De vraag is echter of dat echt gaat gebeuren. De camera is toch het meest gericht op de plenaire zaal (#ophef) – en kleinere partijen zullen soms moeite hebben zich over de vele gelijktijdige vergaderingen te splitsen. Als dit alsnog leidt tot een ellenlange lijst met plenaire in te plannen debatten is er nu wel een veiligheidsklep geïntroduceerd: na twaalf weken vervalt een aangevraagd debat, een termijn die tweemaal verlengd kan worden. Het is dus nog belangrijk geworden de druk op de ketel te houden op geagendeerde belangen. De tijd dat er ruim een jaar na dato over een ondertussen door iedereen vergeten nieuwsbericht gedebatteerd wordt, lijkt definitief verleden tijd.

Wat blijft zo?

Evenzo interessant als wat er wijzigt, is wat er niet wijzigt. Zo wilde een grote minderheid een hoorzitting voor kandidaat-bewindspersonen introduceren. Zij mochten dan eerst hun voorgenomen beleid en visie komen verdedigen. Vooral door partijen met regeerervaring is dit voorstel geblokkeerd. Ook blijft het lonen om een motie een geframede titel mee te geven. Moties blijven met titel en al in de stemmingslijsten en apps van de Tweede Kamer staan. Een voorstel dit niet langer te doen omdat een voor/tegen en een titel gemakkelijk tot verspreiden van desinformatie kan leiden, werd verworpen.

Al met al is het nieuwe Reglement zowel een vernieuwing als voortzetting van het oude. Hierbij blijft gelden dat de regels niet in steen gebeiteld zijn, maar leven. Hoe en of ze toegepast worden hangt af van de situatie. Een inschatting waar de ervaren adviseurs van Dröge & van Drimmelen als geen ander een afweging in kunnen maken met hun politieke contacten en ervaring met parlementaire processen.

Digital Markets Act: Europa klaar voor de digitale markt

Op 15 december publiceerde de Europese Commissie, na een uitgebreide consultatie, voorstellen voor de Digital Services Act (DSA) en de Digital Markets Act (DMA). Deze omvangrijke voorstellen hebben als doel de digitale ruimte te hervormen en een uitgebreide reeks nieuwe regels te creëren voor alle digitale diensten, waaronder sociale media diensten, online marktplaatsen en andere online platforms die actief zijn in de Europese Unie.

Digital Markets Act

Tegelijk met de DSA werd de Digital Markets Act (DMA) gepresenteerd. Het voorstel ziet toe op platforms met bepaalde gedragingen die optreden als ‘poortwachters’. Het beoogt een reeks nauw gedefinieerde criteria vast te stellen om een groot online platform als een zogenaamde ‘poortwachter’ te kwalificeren. 

Op het moment dat een platform als poortwachter wordt aangemerkt, zijn er bepaalde consequenties. Zo mag het platform onder andere diensten en producten die door het zelf aanbiedt niet langer gunstiger behandelen dan vergelijkbare diensten of producten die door derden op het platform van de poortwachter worden aangeboden. Daarnaast mag het platform de persoonsgegevens afkomstig van de core business niet langer combineren met persoonsgegevens van andere door het platform aangeboden diensten of met persoonsgegevens van diensten van derden. Verder wordt het platform verplicht om zakelijke gebruikers eerlijk te behandelen en toegang te verschaffen tot de gegenereerde data op het platform. Indien platforms niet voldoen aan de opgelegde verplichtingen, kan de Europese Commissie significante straffen uitdelen (o.a. een boete van 10% van de wereldwijde jaarlijkse omzet). Als laatste paardenmiddel kan de Commissie een platform forceren om (onderdelen van) het bedrijf af te stoten (zie voor een uitgebreide omschrijving van de DMA ook de blog van onze collega’s uit Brussel).

Nederlandse positie

Staatssecretaris Mona Keijzer (EZK) is, namens Nederland, de afgelopen jaren één van de voortrekkers geweest van regelgeving die nu in DMA is opgenomen. De staatssecretaris heeft op Europees niveau gepleit voor zogeheten ex ante maatregelen, wat betekent dat een Europese toezichthouder vooraf (in plaats van achteraf) in kan grijpen bij platforms die een poortwachtersfunctie hebben.

In oktober 2020 publiceerde ze ook samen met haar Franse ambtgenoot een non-paper over gedrags- en toegangsmaatregelen waarmee een Europese toezichthouder een te dominante marktpositie van grote digitale platforms per geval moet kunnen aanpakken. Hierin pleitte ze wederom voor ex ante regulering, waarbij er aandacht moet zijn voor een ‘case-by-case’ benadering om te bepalen of interventie noodzakelijk is.

Ook voor de DMA geldt dat alhoewel er wordt geprobeerd om kleine bedrijven en startups buiten de ‘scope’ te laten, het wel degelijk mogelijk is dat de regelgeving de kansen tot schaalvergroting voor dit soort bedrijven inperkt. Daarnaast is er kritiek ontstaan op het feit dat de DMA specifiek gemaakt lijkt te zijn voor een handjevol, voornamelijk Amerikaanse, bedrijven (Big Tech), waardoor het moeilijker wordt om nieuwe producten te ontwikkelen en kleine bedrijven te ondersteunen in Europa.

Dit laat het grote dilemma zien waar zowel Nederlandse als Europese beleidsmakers al jaren mee worstelen: aan de ene kant zijn de regels omtrent het digitale domein verouderd en behoeven ze een update, maar aan de andere kant moeten nieuwe regels het innovatiepotentieel van de Europese Unie en de individuele lidstaten niet (te veel) inperken. Daarnaast zijn er ook verschillende visies tussen de diverse lidstaten over de rol die regelgeving moet spelen in het beleid: sommige landen, zoals bijvoorbeeld Frankrijk en zekere mate Duitsland, bepleiten een meer protectionistische, digitale soevereiniteit waarbij regelgeving voornamelijk gefocust moet zijn op bescherming van de eigen markt. Andere lidstaten, zoals bijvoorbeeld Nederland en een aantal Noord-Europese landen, beamen juist het belang van een open economie. Deze laatste groep lidstaten heeft een sterk innovatie- en startupklimaat en is gebaat bij een open investeringsbeleid.

Toekomst

Beide voorstellen staat een lang onderhandelingsproces te wachten in Europa. Het wordt interessant om te zien hoe tegelijkertijd de maatschappelijke discussie rondom het internet, platforms, grondrechten en innovatie zich gaat ontwikkelen.

Daarnaast zijn de aankomende Nederlandse Tweede Kamerverkiezingen interessant voor de positie van Nederland: blijft de nieuwe regering de lijn van de afgelopen jaren volgen – er is vernieuwing in regelgeving nodig, maar de vrijheid van meningsuiting en ruimte voor innovatie moeten behouden blijven – of verandert het sentiment. Dit is ook afhankelijk van de kennis die nieuwe Tweede Kamerleden en bewindspersonen over deze onderwerpen hebben. Tot slot blijft de hamvraag: kunnen beleidsmakers en de politiek op dezelfde snelheid meebewegen als de technische ontwikkelingen dat doen? De toekomst zal het leren.

Deze blog is onderdeel van een tweedelige blog over de Digital Services Act en de Digital Markets Act. Klik hier voor de blog over de DSA.

Digital Services Act: Europa klaar voor het digitale tijdperk

Op 15 december publiceerde de Europese Commissie, na een uitgebreide consultatie, voorstellen voor de Digital Services Act (DSA) en de Digital Markets Act (DMA). Deze omvangrijke voorstellen hebben als doel de digitale ruimte te hervormen en een uitgebreide reeks nieuwe regels te creëren voor alle digitale diensten, waaronder sociale media diensten, online marktplaatsen en andere online platforms die actief zijn in de Europese Unie.

Digital Services Act

De voorgestelde Digital Services Act (DSA) heeft als doel de eCommerce Directive (ECD) uit  het jaar 2000 te actualiseren en nieuwe bindende, geharmoniseerde, EU-brede verplichtingen in te voeren die een aanzienlijke impact zullen hebben op een breed scala aan digitale diensten die consumenten met elkaar verbinden op goederen, diensten en inhoud.

De DSA bevat regels voor online ‘bemiddelingsdiensten’. Het betreft hier diensten die netwerkinfrastructuur aanbieden (internet access providers, domeinnaam-registrars), hostingdiensten (cloud- en webhosting services), online platforms die verkopers en consumenten samenbrengen (online marktplaatsen, app-winkels, deeleconomie platforms, sociale media platforms) en zeer grote online platforms. De verplichtingen die worden opgelegd aan de verschillende online spelers passen bij hun rol, omvang en impact in het online ecosysteem.

In essentie probeert de DSA een antwoord te geven op een vraagstuk waar al jaren discussie over is: in hoeverre zijn online ‘bemiddelingsdiensten’ verantwoordelijk voor wat er op hun diensten plaatsvindt? De DSA probeert verplichtingen op het gebied van transparantie en het tegengaan van illegale en schadelijke content te combineren met bescherming van grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en privacy (zie voor een uitgebreide omschrijving van de DSA ook de blog van onze collega’s uit Brussel). 

Nederlandse positie

Het Nederlandse ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) is op dit moment bezig de Nederlandse positie te bepalen in een zogeheten BNC-fiche. In eerdere berichtgeving heeft het ministerie al een tipje van de sluier opgelicht: Nederland staat in de basis positief ten aanzien van het voorstel, maar benadrukt het belang van de vrijheid van meningsuiting. Er is volgens het kabinet behoefte aan verduidelijking van de rol en verantwoordelijkheid van ondernemingen wiens diensten gebruikt worden voor de verspreiding van illegale of onrechtmatige informatie en activiteiten, maar de regels moeten beperkt blijven tot het bestrijden van deze informatie en activiteiten. Tot slot benadrukt het kabinet het belang van dat de regels niet moeten leiden tot dusdanig hoge nalevingskosten dat naleving of toetreding onmogelijk wordt voor kleine ondernemingen.

Voor dit laatste punt waarschuwden ook diverse Nederlandse startup-organisaties in een petitie die werd aangeboden aan de Tweede Kamer in november 2020. In de petitie vroegen de organisaties aandacht voor de negatieve effecten van een te brede richtlijn op startups en scaleups. Zo zorgt bijvoorbeeld een aansprakelijkheid voor platforms voor zogeheten ‘user-generated content’ voor veel extra werk en mankracht voor een startup, iets wat voor startups vaak lastig is. Te algemene en brede regelgeving heeft dus de potentie om het kleine en opkomende bedrijven te lastig te maken.

Deze blog is onderdeel van een tweedelige blog over de Digital Services Act en de Digital Markets Act. Klik hier voor de blog over de DMA en een beschouwing op de toekomst.

Vol energie voor de toekomst 2021 in

Vlak voor de Kerst kwam het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat met een geschenk voor onder de kerstboom: de conceptversie van de nieuwe Energiewet. Lang verwacht, en nu eindelijk in internetconsultatie verschenen.

In die Energiewet worden straks de Elektriciteitswet 1998, de Gaswet en nieuwe Europese regelgeving tot één geheel verwerkt. Perfect leesvoer om vol energie 2021 mee in te gaan. Wij zijn er ingedoken en delen graag enkele observaties.

De wet komt nú omdat een aantal Europese regels in Nederland ingevoerd moet worden en omdat de afspraken uit het Klimaatakkoord tot stevige reductie van broeikasgassen in actie moet worden omgezet. Maar dat is niet alles. Onderliggend vindt een nog grotere transitie plaats. Van een vrij overzichtelijk systeem van vraag en aanbod en van netcapaciteit voor gas en elektriciteit komen we in een situatie met grotere diversiteit aan (groepen van) invoeders, afnemers, beheerders en andere marktdeelnemers.

Zoals de naam ‘Energiewet’ zegt, heeft de wet de pretentie alomvattend te zijn. Het leest echter als een tussenstap. Hoewel het samenvoegen van de Gaswet en Elektriciteitswet 1998 een belangrijke stap is om energiemarkten te integreren, is er veel wat nog niet in de wet wordt meegenomen.

Om te beginnen is er relatief weinig aandacht voor gasvormige energiedragers. Zo bevat het Europese Clean Energy Package, dat via deze wet wordt geïmplementeerd, geen regelgeving voor gas. Nieuwe regels op dit gebied zullen, als Europa er eenmaal mee komt, alsnog in de Energiewet verwerkt moeten worden. Over de infrastructuur voor waterstof is evenmin iets opgenomen in de wet en het wetsvoorstel collectieve warmtevoorzieningen blijft losstaan van de Energiewet. Dit terwijl we nu juist toe zouden moeten naar één kader voor de energiedragers waarmee we ons verwarmen, vervoeren, de industrie draaiende houden enzovoorts. En waar de Kamer – onder andere via de initiatiefnota-Sienot – aandringt op het nemen van bestuurlijke regie en op het tijdiger investeren in netcapaciteit voor duurzame energievormen, biedt de wet weinig houvast voort ambitieuze netbeheerders, innovatieve ontwikkelaars en duurzame afnemers.

Het is vervolgens interessant om te zien dat de wet, naast energie, voor een groot deel gaat over datastromen. De energietransitie leidt ons immers naar decentrale systemen met vele kleinere aanbieders die afhankelijk zijn van onvoorspelbare energiebronnen als zon en wind. Het belang van onder andere slimme meters is overduidelijk: netbeheerders hebben actuele gegevens uit die meters nodig om te voorkomen dat er opeens onbalans is in het net of niet geleverd wordt. Het streven in de wet is om elk kwartier elektriciteitsgebruik te kunnen uitlezen en elk uur gasgebruik. Zo zijn pieken en dalen op tijd en door de tijd zichtbaar.

Voor de netbeheerder is dat inzicht fijn, maar hoe zit het met de privacy van of de governance over deze data? Het zou niet de eerste keer zijn dat politiek, consumentenorganisaties of ngo’s zich hierover opwinden. Bij de uitrol van slimme meters tien jaar geleden, ingestoken vanuit het helpen van consumenten bij energiebesparing, ontstond al politieke weerstand tegen het meekijken naar energieverbruik in de huiskamer. Helpen ze wel echt? Zijn we niet kwetsbaar voor hacks of dieven? Wat gebeurt er met je gegevens? Die discussie is afgezwakt – maar de conceptwet gaat zo uitgebreid in op het gebruik en bewaren van al die gegevens, dat het ministerie rekening lijkt te houden met opleving van die discussie. Terecht: datastromen en de controle erop is een hot topic. Temeer belangrijk in het energieveld omdat nieuwe tech-spelers het veld betreden en dit vraagt om regelgeving, standaarden en codes.

Daarnaast valt een aantal vernieuwingen op, zoals: dat ‘energiegemeenschappen’ een wettelijk middel worden om participatie van en keuze voor consumenten te creëren; dat netbeheerders inzicht moeten geven in welke aanvragen zij niet konden honoreren, dat de voor gas vervallen aansluitverplichting alleen voor aardgas gaat gelden zodat aansluiting op hernieuwbaar gas mogelijk blijft en dat de conversie garanties van oorsprong makkelijker wordt bij het omzetten van de ene naar andere vorm van duurzame energie. Het lijken uitingen van een wens om meer opties te creëren binnen vraag en aanbod.

De consultatiefase loopt tot en met 11 februari. Daarna zal het ministerie de wet aanvullen en verbeteren aan de hand van de reacties. De getoonde haast duidde erop dat het kabinet nog voor de verkiezingen het concept naar de Raad van State wilde sturen. Dat het kabinet momenteel demissionair is zal de procedure waarschijnlijk niet in de weg te staan. Bij behoefte aan nadere duiding van het 250 pagina’s tellende documenten of het strategisch neerzetten van de risico’s of kansen voor uw organisatie kan Dröge & van Drimmelen u ondersteunen. Neem gerust contact op met Marieke van der Werf, partner en senior adviseur, of Carsten Zwaaneveld, adviseur. Wij helpen u graag.