Auteur archieven: Madelon Smit

Weetje van de week: De (politieke) gevolgen van het Programma Aanpak Stikstof

Op 29 mei 2019 deed de Raad van State uitspraak over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). In dit programma slaan het Rijk, de provincies, natuurorganisaties en ondernemers de handen ineen om de stikstofuitstoot in natuurgebieden terug te dringen. Het oordeel van de Raad van State: de PAS is in strijd met Europese wetgeving en mag niet als basis voor toestemming voor activiteiten worden gebruikt. Een uitspraak met grote gevolgen voor grote bouw- en infraprojecten, industrie en landbouw in de buurt van de beschermde natuurgebieden. Een lastig nieuw vraagstuk voor de regering, omdat er politieke keuzes gemaakt moeten worden. Waar schiet de PAS precies in tekort, en wat zijn de vervolgstappen?

Het doel van de PAS
Stikstof veroorzaakt verzuring in arme voedingsbodems. Veel plantensoorten kunnen op dit soort verzuurde bodems niet groeien, waardoor de biodiversiteit wordt aangetast. Om deze reden is er doormiddel van Europese wetgeving bepaald dat bedrijven en boeren rondom beschermde natuurgebieden de schadelijke uitstoot van extra stikstof moeten compenseren. Omdat Nederland een relatief dichtbebouwd land is, met veel economische activiteit rondom zogenaamde “Natura 2000-gebieden” (beschermde natuur), is de PAS in het leven geroepen. Met deze regeling hebben de “uitstoters” de mogelijkheid om later pas te compenseren voor de veroorzaakte natuurschade. Zo kon de overheid vergunningen blijven vergeven aan bedrijven en boeren in de buurt van Natura 2000-gebieden.

De gevolgen van de uitspraak
De Raad van State stelt dat de natuur niet is geholpen door de beloften van bedrijven om de uitstoot van stikstof later te compenseren. Het feit dat de regeling ingaat tegen de Europese wetgeving, maakt dat de PAS nu echt van tafel moet. Deze uitspraak heeft niet alleen gevolgen voor vergunningen in de toekomst, maar ook voor allerlei projecten in het heden. Projecten mogen pas van start als er een zogenaamd “stikstofplan” is waarin concreet moet worden aangetoond dat de stikstof die bij het project vrijkomt de natuur niet schaadt. Om deze reden lopen grootschalige projecten als de opening van Lelystad Airport en het Circuit van Zandvoort vertraging op. Of er überhaupt een opening plaats gaat vinden staat nog niet vast. Dit is voor vele projecten in Nederland nu realiteit.

Politieke verschillen
Om de stikstofuitstoot terug te dringen lijkt er een keuze gemaakt te moeten worden tussen een krimp van de veestapel, het op slot doen van de woningbouw, fabrieksbouw of infrastructuur. Volgens de verantwoordelijke ministers is het vinden van een oplossing lastig. Er is een crisisteam opgesteld, onder leiding van Carola Schouten (Minister Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) om te inventariseren welke projecten nu “gevaar” lopen. Ook kijken juristen naar de precieze effecten van de uitspraak van de Raad van State.

De verschillende visies van de coalitiepartijen kunnen over de uiteindelijke besluiten gaan botsen. VVD en CDA geven aan dat een kleinere veestapel geen optie is. Ook is het terugdringen van de maximumsnelheid of een stop op infra-projecten tegen het zere been van de VVD aan. VVD-Kamerlid Arne Weverling opperde al de Natura 2000 eisen af te zwakken: regels die er niet zijn kunnen immers ook niet overtreden worden. D66 en ChristenUnie hebben een andere insteek. Deze partijen maken zich al langer hard voor een kleinere veestapel, en de stikstof-uitspraak kan hier iets aan doen.

De (linkse) oppositiepartijen willen ook dat Minister Schouten maatregelen treft om de stikstofuitstoot terug te dringen aan de hand van de uitspraak. Hiervoor dienden zij al een aantal moties in, die echter allemaal werden verworpen. De Minister zelf vindt het nu nog te vroeg om met deze plannen te komen en wacht de uitkomsten van het crisisteam af.

Insteek voor een oplossing
De stikstof-uitspraak van de Raad van State heeft veel teweeggebracht. Er lijkt voornamelijk een verschil in focus op de oplossing tussen partijen. Aan de ene kant: hoe zorgen we dat de projecten die op de planning staan gewoon door kunnen gaan, ondanks de verandering van de regels? Aan de andere kant: hoe dringen we de stikstofuitstoot terug zodat de natuur beschermd blijft in de toekomst? De visie waarmee het kabinet de ‘stikstofcrisis’ gaat benaderen, bepaalt de toekomst van natuurgebieden en vele projecten.

Weetje van de week: Decentralisatie

Het is deze week 47 jaar geleden dat het gedoogbeleid omtrent softdrugs werd ingevoerd. Op 7 juli 1972 besloot de Nederlandse regering namelijk om het gebruik van softdrugs niet langer te vervolgen. Ondanks het gedoogbeleid bleek deze week ook dat er in 218 van de 355 Nederlandse gemeenten een algeheel verbod op drugsgebruik is afgekondigd voor de publieke ruimte, zoals parken, straten of openbare gebouwen. De Nederlandse Opiumwet stelt dat alleen de handel en productie van soft- en harddrugs strafbaar is, maar het gebruik ervan niet. De gemeenten volgen met hun totaalverbod dus niet de landelijk geldende Opiumwet. De redenering van de gemeenten is dat ze dit verbod kunnen gebruiken om in te grijpen bij excessen en overlast, maar niet om hard te handhaven.

Gemeentelijk beleid
Ondertussen presenteerde de burgemeester van Amsterdam Femke Halsema deze week vier scenario’s voor de toekomst van de prostitutie op de Wallen. De meest vergaande variant is het laten verdwijnen van alle bordelen op de Wallen en aan het Singelgebied, om elders in de stad weer open te laten gaan, bijvoorbeeld in de vorm van een prostitutiehotel. De bedoeling van deze scenario’s is om meer zicht te krijgen op de branche en misstanden aan te pakken, ook in verband met de vele toeristen in de binnenstad van Amsterdam.

Een aantal maanden geleden kwam de Amsterdamse burgemeester tevens in het nieuws vanwege haar uitingen over het verbod op gezichtsbedekkende kleding. Hierover zei ze tijdens een bijeenkomst: “Je kan ervan op aan dat ik niet zal toestaan dat Amsterdam daar gevolg aan geeft.” Hiermee ging ze in tegen de wet die de Eerste Kamer op 26 juni 2018 heeft aangenomen.

Eigen koninkrijk
Dit zijn drie recente voorbeelden waarbij gemeenten zich niet houden aan besluiten die door het Rijk zijn genomen en een eigen plan trekken omtrent bepaalde problematiek. Dit oogt alsof gemeenten zichzelf steeds meer zijn gaan zien als een eigen koninkrijk. Echter is er sprake van een steeds verdergaande decentralisatie in Nederland, die er ook voor zorgt dat gemeenten steeds meer beslissingen moeten nemen. Sinds 2015 zijn gemeenten onder andere verantwoordelijk voor het sociaal domein en vanaf 2021 worden gemeenten door de Omgevingswet ook verantwoordelijk voor het fysieke domein; de volgende grote vorm van decentralisatie.

Decentrale lobby
Deze decentralisatie heeft, naast het feit dat gemeenten steeds meer het heft in eigen handen gaan nemen, ook een belangrijk gevolg voor belangenbehartiging. Ten eerste komt er vanuit de gemeenten een steeds actievere lobby richting het Rijk om invloed te kunnen uitoefenen op de besluitvorming. Ten tweede richten partijen uit de samenleving en (belangen)organisaties hun pijlen steeds meer op gemeenten. Dit gebeurt onder meer vanuit bepaalde sectoren, zoals jeugdzorg, die door de decentralisatie op het bordje van gemeenten zijn gekomen.

Met de invoering van de Omgevingswet lijkt de trend van decentralisatie zich steeds verder voort te zetten. De hierbij gepaarde ontwikkeling van de lobby richting en vanuit gemeenten is vanuit public affairsperspectief zeer interessant om in de gaten houden.

Weetje van de week: Volwassen genoeg om te stemmen?

In Nederland en veel andere landen mag er vanaf het achttiende levensjaar gestemd worden voor de Gemeenteraad, de Provinciale Staten, het Europees Parlement en de Tweede Kamer. Tot achttiende kan iemand wel politiek betrokken zijn door zich aan te sluiten bij een politieke jongerenpartij of belangenorganisatie. Trouw schreef vorig jaar al dat de betrokkenheid van jongeren van groot belang is, in een land dat steeds sneller vergrijst. Jongeren zijn nodig om de politiek van frisse inzichten te blijven voorzien. Sinds kort klinken er steeds meer geluiden voor vervroeging van het stemrecht. Met verschillende achterliggende gedachten wordt er gepleit voor stemrecht vanaf 16 jaar. Wat zijn de overwegingen?

Betrokken bij de politiek
Het vertrouwen van jongeren in de politiek neemt af terwijl ze wel actief meedoen in de samenleving. Vanaf 16 jaar werken jongeren vaak al, mogen ze op zichzelf wonen, kunnen onder voorwaarden auto rijden en mogen zelfstandig internationaal reizen. Daarnaast moeten ze vanaf 16 jaar belasting betalen en mag de rechter ze veroordelen als volwassenen. Allen het belangrijkste recht in een democratie ontbreekt schrijven de Jonge Democraten in Trouw: stemrecht.

De Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) pleit in een advies aan het kabinet en het parlement om de kiesgerechtigde leeftijd omlaag te brengen naar 16 jaar. Tot deze beslissing kwam de Raad voor het Openbaar Bestuur niet zomaar. Een belangrijk twistpunt was: Moet eerst de kiesgerechtigde leeftijd omlaag om zo de betrokkenheid van jongeren te vergroten, of moet de betrokkenheid eerst groter voordat de kiesgerechtigde leeftijd omlaag kan. Zij denken dat de maatregel kan helpen de politieke betrokkenheid van jongeren te vergroten. Daarnaast is het belangrijk dat jonge mensen eerder toegang hebben tot democratische besluitvorming omdat het invloed heeft op hun volwassen leven. Bovendien zijn jongeren de ‘toekomstige dragers van de democratie’ aldus de Raad voor het Openbaar Bestuur.

Het Financieel Dagblad kopt op 25 juni ‘Adviesraad wil apathische jongere betrekken bij de politiek’. De opkomst van jongeren bij verkiezingen is steevast lager dan bij volwassenen en degene die stemmen zijn vooral hoogopgeleide jongeren. Dit leidt op een gegeven moment tot een vertegenwoordigingsprobleem, want hun belangen zijn slechter vertegenwoordigd dan die van andere kiezersgroepen.

Ontwikkelingen
Verschillende Europese landen experimenteren al langer met uitbreiding van de kiesgerechtigde leeftijd. Duitsland en Estland stellen lokale of regionale verkiezingen open en in Schotland mochten 16-jarigen ook stemmen voor het onafhankelijkheidsreferendum. In Malta mogen jongeren nu ruim een jaar vanaf hun zestiende jaar meedoen aan alle stemmingen en Oostenrijk verlaagde de leeftijdsgrens zelfs in 2007 al. In Oostenrijk wierp dit zijn vruchten af bleek uit onderzoek van de Universiteit van Wenen. De onderzoekers gaven aan dat de opkomstcijfers gelijk zijn aan die van achttienjarigen en dat jongeren dezelfde weloverwogen keuzes maken als volwassenen bij het uitbrengen van hun stem.

Een tegenargument wat vaak wordt opgebracht is de mate van ontwikkeling van het brein. Zestienjarigen worden nog te jong geacht om een weloverwogen stem uit te kunnen brengen. Het brein is in dat geval nog niet ver genoeg ontwikkeld. Neuroloog Dick Swaab geeft aan dat de hersenen pas volledig ontwikkeld zijn bij 24 jaar, dit betekent dan ook dat een achttienjarige niet volwassen genoeg is om te stemmen.

De tijd wijst of een meerderheid in de Tweede Kamer de plannen toejuicht. Wie weet stemmen volgende Europese Verkiezingen naast Maltese en Oostenrijkse, ook Nederlandse jongeren mee.

Weetje van de week: Herziening van de Canon van Nederland

In 2006 werd de Canon van Nederland samengesteld: een leidraad voor het geschiedenisonderwijs op basis van vijftig onderwerpen. Sinds 2009 werken basisscholen en de onderbouw van het voortgezet onderwijs met de methode die poogt om de belangrijkste gebeurtenissen, personen en objecten uit de Nederlandse geschiedenis te omvatten.

Minister Van Engelshoven (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) vindt dat de canon aan vernieuwing toe is. Er moet volgens haar meer aandacht worden besteed aan de “schaduwkanten” van de Nederlandse geschiedenis alsmede de verhalen en perspectieven van verschillende groepen in de samenleving. Reden voor het kabinet om een nieuwe commissie aan te stellen die de canon moet gaan herijken. Een uitspraak en een beslissing die veel reactie oproept bij opiniemakers en geschiedkundigen. In hoeverre mag de politiek zich “bemoeien” met de Nederlandse geschiedenis? Aan de andere kant, is het niet eens tijd om na 13 jaar de canon te veranderen naar nieuwe inzichten?

Eerder ook al commotie
De reacties die Van Engelshoven opriep met haar uitspraken over de canon waren misschien fel, maar niet nieuw. De discussie kwam opzetten in juni 2018, toen D66-Kamerlid Sjoerd Sjoerdsma aan Van Engelshoven in een Kamerdebat vroeg wat zij ervan vond dat er zo weinig vrouwen voorkomen in de canon van Nederland. De minister antwoordde “graag bereid” te zijn om de samenstelling te evalueren en “een meer divers gezicht” te geven van de Nederlandse geschiedenis. Dit schoot in het verkeerde keelgat bij toenmalig CDA-leider Sybrand Buma, die aangaf geen politieke discussie te willen voeren over de inhoud van de Nederlandse geschiedenis.

De maker aan het woord
De geschiedenis moet je niet overlaten aan partijpolitiek; een stelling die in een aantal opiniestukken (bijvoorbeeld in de Telegraaf en de NRC) en bij een aantal geschiedkundigen bijval krijgt. Zo ook bij de samensteller van de canon, Frits Oostrom. In een interview met de Volkskrant benadrukt de geschiedenishoogleraar dat de canon is bedoeld voor het onderwijs. Oostrom ziet dat het onderwijs de arena wordt waar politieke partijen elkaar bestrijden en staat er negatief tegenover dat de canon met allerlei politieke wensen wordt belast. Hij stelt niet tegen een herijking van de canon of tegen meer diversiteit aan personen en onderwerpen te zijn, maar vindt dat een commissie niet “specifiek op zoek moet gaan naar zwarte bladzijden”. Het creëren van een inspirerend verhaal is ook belangrijk, de stof is immers bedoeld voor kinderen tussen de 8 en 12 jaar.

Geschiedenis vanuit een ander perspectief
Mineke Bosch, hoogleraar geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, benadert de canon op een andere manier. Zij vindt het belangrijker om na te denken over perspectieven dan over onderwerpen. Zo stelt zij dat de canon zoals die er nu is “geen rekening houdt met patronen van in- en uitsluiting, bijvoorbeeld op basis van klasse, sekse en ras.” De vrouwenbeweging moet volgens haar dan ook niet het enige moment zijn dat vrouwen in de canon voorkomen.

Ook voormalig Kamerlid Zihni Özdil stelt dat het historisch beeld completer is als je ook van onderaf bekijkt. Zo profiteerde lang niet iedereen van de Gouden Eeuw: het leven van vrouwen, slaven, boeren en arbeiders wordt hierin te weinig belicht, aldus Özdil.

APK voor de canon
Dat de canon herzien wordt, lijkt onder de geschiedkundigen niet op veel weerstand te stuiten. Een herijking van de samenstelling om de zoveel tijd was ook in 2007 afgesproken, toen de canon werd gepresenteerd. De Amerikaans-Nederlandse historicus James Kennedy, hoogleraar geschiedenis en decaan van het University College Utrecht, wordt voorzitter van de herzieningscommissie. Hij stelt dat er na verloop van tijd nieuwe inzichten zijn over de geschiedenis. Ook bekijkt hij de aansluiting van de canon op het onderwijs en de historische actualiteit.

Ton van der Schans, voorzitter van de vereniging voor leraren geschiedenis en staatsinrichting, blijft er huiverig voor dat “politieke trends, ideologie en modegrillen de herziening van de canon gaan bepalen”. Echter is ook hij niet tegen een herziening: “Examenprogramma’s krijgen ook van tijd tot tijd een APK”. Hoe de canon er na die APK uitziet, biedt in 2020 ongetwijfeld voer voor discussie.

Lancering 20/20 Startups

Op 21 mei lanceerde directeur Frans van Drimmelen een nieuw project: 20/20 Startups. In het kader van het twintigjarig bestaan van Dröge & van Drimmelen, gaan we twintig startups kosteloos begeleiden. Op die manier ondersteunt Dröge & van Drimmelen startups met een grote maatschappelijke impact, die noodzakelijke transities aanjagen. We zijn al voor de eerste startups aan de slag, maar geïnteresseerde startups kunnen zich nog altijd melden.

Startups zijn vaak innovatief en verstoren bestaande verhoudingen. Daarom zijn juist zij een aanjager van grote maatschappelijke veranderingen, maar moeten ze soms ook strijden tegen gevestigde belangen. Van Drimmelen: “De meeste startups hebben niet de mogelijkheden om de strijd met gevestigde belangen aan te gaan. Ze voelen zich daardoor niet gehoord in politieke en maatschappelijke discussies. Door startups kosteloos te begeleiden, levert Dröge & van Drimmelen een bijdrage aan belangrijke maatschappelijke transities rond thema’s als energie, zorg, digitale en circulaire economie. De komende maanden trekken we het land in om interessante startups te vinden die onze ondersteuning kunnen gebruiken.”

20/20 Office Hours
Dröge & van Drimmelen organiseert open spreekuren waar startups hun maatschappelijke vragen of uitdagingen aan ons voor kunnen leggen. Deze spreekuren zijn bij startup accelerators, incubators en hubs door het hele land. Vanuit alle startups die we spreken, maken we een selectie van ongeveer 20 startups die we begeleiden; zij krijgen 20 uur strategisch advies gratis. Hiermee helpen wij om met de juiste timing, boodschap en netwerk invloed uit te oefenen op beleidsbepalers.

20/20 Onderzoek
In hoeverre kunnen startups vanuit hun vernieuwende aanpak een maatschappelijk bijdrage leveren? En welke rol speelt onze politiek daarin? Aan de hand van de ervaringen uit het 20/20 Startups-programma wordt een advies uitgebracht aan overheid en politiek over hoe deze vernieuwende startups innovatie aanjagen en beheerst kunnen worden in mogelijke nieuwe vormen van regulering. Denk hierbij aan toekomstbestendige wetgeving, co- en zelfregulering of afsprakenstelsels. Op deze manier wordt duidelijk wat startups en de politiek kunnen doen om elkaar beter te leren begrijpen.

 

 

Aanmelden? Neem dan contact op met onze contactpersoon Sander des Tombe.

Meld je aan

Weetje van de week: Voorzitterschap Eerste Kamer

Op dinsdag 11 juni is de nieuwe Eerste Kamer aangetreden en is de Kamerperiode 2019-2023 begonnen. De 75 nieuwe leden zijn geïnstalleerd op grond van de definitieve vaststelling van de uitslag van de Eerste Kamerverkiezingen, die de Kiesraad op vrijdag 31 mei 2019 bekend maakte.

Ankie Broekers-Knol was van 2 juli 2013 tot 11 juni 2019 de voorzitter van de Eerste Kamer. Aangezien zij nu is afgetreden, maar er nog geen nieuwe voorzitter is verkozen, is er nu een tijdelijke voorzitter: Joris Backer. Op dinsdag 18 juni wordt het profiel voor de nieuwe voorzitter vastgesteld, daarna kan ieder lid zich kandidaat stellen voor het voorzitterschap en deze wordt dan op dinsdag 2 juli gekozen. De eerste wensen voor de profielschets liggen al klaar: de voorzitter moet net als de vorige keer ervaring hebben met de werkwijze van de Eerste Kamer, moet de integriteit bewaken en vooral verbindend zijn.

Benoemde voorzitter
De allereerste voorzitter van de Eerste Kamer was Charles Thiennes de Lombise, nadat de Staten-Generaal in 1815 was opgesplitst in twee kamers. Deze voorzitter werd niet gekozen door de eigen leden, maar benoemd door de Koning. Pas sinds de Grondwetsherziening van 1983 wordt de voorzitter van de Senaat rechtstreeks gekozen door de eigen leden. In deze herziening werd ook bepaald dat de zittingsduur van zes naar vier jaar ging en dat alle provincies voortaan tegelijkertijd de Eerste Kamerleden kozen.

De Kamervoorzitter heeft de leiding over de vergadering en is belast met het handhaven van de orde. Tevens is de voorzitter van de Eerste Kamer voorzitter van de Verenigde Vergadering, die de commissie van in- en uitgeleide benoemt. Deze commissie is bij speciale gelegenheden, zoals de inhuldiging van een nieuwe koning, verantwoordelijk voor de verwelkoming en begeleiding bij binnenkomst en vertrek van hooggeplaatste gasten.

Politieke strijd
Met de Grondwetsherziening van 1983, is het behalen van het voorzitterschap een politiek spel geworden. Ook nu is er al een flinke strijd losgebarsten over wie de opvolger wordt van voormalig Voorzitster Broekers-Knol: zeker vier fracties – Forum voor Democratie, de VVD, D66 en GroenLinks – willen een voorzitter leveren. De kandidaat van Forum voor Democratie, Toine Beukering, kwam afgelopen week in opspraak na zijn uitspraken in een interview met de Telegraaf. Zo noemde hij de Joodse burgers die omkwamen in de gaskamers tijdens de Holocaust “makke lammetjes” en suggereerde hij dat niet Rusland, maar Oekraïne vliegtuig MH17 heeft neergehaald. Ondanks dat hij later op zijn uitspraken terugkwam, lijkt dit zijn kansen geen goed te hebben gedaan. Over de overige kandidaten wordt nog flink gespeculeerd: bij de VVD wordt gedacht aan Jan Anthonie Bruijn, arts en hoogleraar; bij D66 aan de interim voorzitter Joris Backer; en bij GroenLinks de outsider Ruard Ganzevoort. Op 2 juli weten we wie dit eervolle ambt voor de komende vier jaar gaat bekleden, tot die tijd blijft het gissen.

Weetje van de week: ‘The Future is Female’ – GES 2019

Wereldwijd ondernemerschap
Afgelopen week vond van 3 tot 5 juni de Global Entrepreneurship Summit 2019 (GES) plaats. Samen met de Verenigde Staten organiseerde Nederland dit jaar de top in het World Forum in Den Haag. Het evenement wordt jaarlijks door de Verenigde Staten in een gastland georganiseerd om ondernemerschap wereldwijd te bevorderen. Eerdere edities vonden plaats in India, Kenia en Marokko. Innovatieve bedrijven komen in contact met investeerders, beleidsmakers en andere deelnemers van over de hele wereld. Dat de top nu plaatsvindt in Nederland laat volgens NRC zien hoe Nederland de relatie met de Amerikanen op peil wil houden in het politiek lastige tijdperk-Donald Trump. De meningsverschillen tussen Nederland en de Verenigde Staten zijn er genoeg: kijk bijvoorbeeld naar klimaatverandering, mensenrechten, handel en Brexit.

Dit leidde er niet toe dat er niet over klimaatverandering gesproken kon worden. Al noemde minister Kaag en premier Rutte het liever duurzaamheid. In de deelsessie over water spraken verschillende bedrijven over hun plannen om in te spelen op de opwarming van de aarde. Als er een verdienmodel of winstmodel in zit dan zullen de Amerikanen uiteindelijk wel instappen stelde Kaag. Aan goede ideeën in Nederland geen gebrek, dat is ook te zien op deze top. Voor wereldwijde uitdagingen is altijd een Nederlandse oplossing zegt de minister in haar openingsspeech.

Powervrouwen
Tijdens de top stonden het thema ‘powervrouwen’ regelmatig centraal. Koningin Máxima opende de top met een speech over vrouwelijke ondernemers. Máxima citeerde een Amerikaans onderzoek waarin was vastgesteld dat vrouwen minder geld ophalen voor hun startup dan mannen, terwijl startups opgericht door vrouwen over het algemeen meer opleveren per geïnvesteerde dollar dan startups die opgericht zijn door mannen. Na deze uitspraak kreeg ze luid applaus uit de zaal. Ivanka Trump sloot het congres met de uitreiking van de prijs Global Innovation through Science and Technology (GIST) competitie. Samen met minister Kaag en prins Constantijn reikte zij de prijs uit aan Christina York. Haar bedrijf Spellbound A.R. zet 3D technologie in om patiënten in ziekenhuizen voor te bereiden op een behandeling.

The Future is Female
Op de tweede dag deelde 140 vrouwelijke ondernemers ervaring en tips tijdens een werklunch met staatssecretaris Mona Keijzer en Manisha Singh, Amerikaans staatssecretaris voor Economische Groei. Ook GES-voorzitter minister Kaag gaf advies. ‘Durf. Wees niet bang om te falen, maar claim je ruimte en ga ervoor.’ Daarnaast gaf Kaag negen vrouwelijke leiders een podium tijdens de top om te spreken over hun ervaringen en inspiratie. Zij zijn alle negen ook betrokken bij een publieksdiplomatie programma van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Bij de sessie ‘Industries of the future’ bestond het panel volledig uit vrouwelijke investeerders en ondernemers. Onder andere Johanna Mikes Shelton, hoofd van Google’s public policy team. Samen met de overheid van de Verenigde Staten werkt ze aan internetbeleid en technologieregulatie.

Minister Kaag kijkt terug op een succesvolle top: ‘De economische motor is aangezwengeld.’ Vrouwen stonden in de schijnwerper, en terecht want de economie doet het volgens haar een stuk beter wanneer vrouwen meedoen. Naar aanleiding van de grote zichtbaarheid van succesvolle powervrouwen tijdens de top opperde de website Impact Alpha dat het thema dit jaar was omgevormd van The Future is Now naar The Future is Female!

Mededinging op de online markten

Vorig jaar kwam er een lijst uit van de twintig grootste techbedrijven ter wereld. Naast de usual suspects uit de Verenigde Staten en China, schitterde de Europese Unie vooral door afwezigheid. Wel liet de EU regelmatig van zich horen op het gebied van mededinging door het uitdelen van hoge boetes voor de grote techbedrijven. De vraag hoe de digitale economie competitief blijft, speelt niet enkel op Europees niveau. Ook vanuit Nederlandse beleidsmakers komen voorstellen. Het past binnen de ‘techlash’, de terugslag van overheden om de macht van de grootste techbedrijven in te perken. Namens D66 nam Tweede Kamerlid Verhoeven in februari van dit jaar het initiatief om het mededingingsrecht te vernieuwen, zodat deze beter aansluit op de digitale economie. Ambtelijk was staatssecretaris Keijzer (EZK) al langer aan het onderzoeken of het huidige mededingingsrecht aansluit op de digitale markt. Nu zijn haar voorstellen samen met een reactie op het initiatief van Verhoeven gepubliceerd. Op Twitter reageerde Verhoeven verheugd met de opmerking dat het voorstel naadloos aansluit op de initiatiefnota van D66. Een nadere beschouwing van de voorstellen leert echter dat er, naast aanzienlijke beleidsinhoudelijke verschillen, ook een andere route wordt genomen. Deze beschouwing gaat dieper in op het verschil in politieke proces dat beide voorstellen nemen.

Maatregelen
Het doel van het mededingingsrecht is om verzekerd te zijn van effectieve concurrentie. Een machtspositie is binnen het mededingingsrecht niet verboden, maar misbruik van die dominante positie wel. Dit principe van het mededingingsrecht blijft bestaan in het voorstel van de staatssecretaris, maar het vereist volgens het ministerie herziening om toepasbaar te zijn binnen de digitale economie. Op verschillende punten wil de staatssecretaris het mededingingsrecht aanscherpen na een uitgebreide consultatieronde onder experts en belanghebbenden. Het kabinet stelt daarom een drietal maatregelen voor om het mededingingsbeleid toekomstbestendig te maken. De toezichthouder moet vooraf kunnen ingrijpen als een speler op de markt een positie krijgt waar anderen niet meer omheen kunnen. Daarnaast zal de rol van data worden meegenomen in de beoordeling. Als derde punt stelt de staatssecretaris voor om te werken aan nieuwe fusiedrempels die beter toegespitst zijn op de digitale economie. Drempels die met het oog op de positie van online platforms de concurrentiemogelijkheden bewaken en versterken.

Politieke route
De staatssecretaris is zich ervan bewust dat Nederland deze stappen niet alleen kan nemen, juist omdat het Nederlands mededingingsrecht in de kern Europees recht is. Op het eerste gezicht lijkt dit sterk op het voorstel van D66. In de uitvoering zit echter een groot verschil. De staatssecretaris gaat in grote lijnen mee met het voorstel van Verhoeven betreffende de Europese aanpak. In zijn initiatiefnota stelt Verhoeven dat de regering zich moet inspannen om het werkingsverdrag van de Europese Unie (VwEU) te herzien om het aan te sluiten op de nieuwe digitale markt. Het huidig verdrag is vastgelegd in 2009, een tijd waarin de meeste online platforms nog in de kinderschoenen stonden. Mededingingsartikelen Art. 101 en 102 VwEU sluiten volgens Verhoeven onvoldoende aan op de digitale economie die draait op (toegang tot) data en daarmee zijn de artikelen volgens Verhoeven toe aan modernisering. Herziening of opstelling van een nieuw Europees Verdrag is echter een politiek proces van de lange adem.

Het is ook de vraag of een dergelijke ingrijpende aanpak inhoudelijk het mededingingsrecht effectiever maakt. Het zijn namelijk niet de principes, maar het instrumentarium van het toezicht dat actualisatie behoeft. Daarentegen is volgens Verhoeven het instrumentarium zelf ook niet toereikend en stelt zijn initiatiefnota nieuwe wetgeving voor. De staatssecretaris geeft aan dat het Europees werkingsverdrag flexibel genoeg is beschreven om ook in 2019 dienst te doen op de digitale markt. Juist door de ruimere beschrijving is slechts actualisatie nodig in de toepassing ervan. Daarom stelt zij in haar brief voor om enkel de richtsnoeren, de handleiding van het mededingingsrecht, aan te passen op de realiteit van online markten. In deze richtsnoeren is momenteel namelijk nog niet opgenomen hoe toezichthouders de rol van data een plek kunnen geven in hun analyse van de markt en het vaststellen van mededingingseffecten.

Europees proces
Opvallend is wel dat de staatssecretaris niet nader ingaat op de vraag hoe het ministerie exact de richtsnoeren wil aanpassen. Het kan zijn dat de staatssecretaris nog de kaarten tegen de borst houdt. Europese collega’s van Keijzer uit Frankrijk en Duitsland komen immers ook met voorstellen voor het Europees mededingingsbeleid. De nieuw te vormen Europese Commissie moet echter nog met een voorstel komen voor aanpassing van de wetgeving. In aanloop naar dit voorstel is de staatssecretaris al wel in gesprek met meerdere landen om een meerderheid te vormen voor het aangepast mededingingsbeleid. Door te kiezen voor behoud van de kern van het mededingingsrecht en zich te richten op de interpretatie van de richtsnoeren, krijgt het kabinet naar verwachting in Europa sneller de handen op elkaar. Het kabinet kiest daarmee enerzijds voor handelend optreden gedurende deze kabinetsperiode en anderzijds voor een behoedzame, evenwichtige aanpak waarbij niet direct gegrepen wordt naar ingrijpende wetswijzigingen. Een balanceeract tussen overheid en markt waarbij het kabinet het midden probeert te vinden tussen de sterke roep vanuit oppositie en een deel van de maatschappij om iets te doen aan de grote techreuzen (de techlash) en de Nederlandse economische belangen die niet gediend zijn met te ingrijpende voorstellen waarvan onvoldoende bekend is welke impact het heeft op ons (grote) digitale ecosysteem. Pragmatisch handelen dat past bij de Nederlandse politiek.

Door Sander van Diepen & Roeland Coomans

Weetje van de week: Stemmen voor de Eerste Kamer

Op 20 maart vonden de Provinciale Statenverkiezingen plaats. Hierbij waren ook landelijke belangen bij gebaat, omdat de leden van de Provinciale Staten op hun beurt een stem uitbrengen voor de Senaat. Vorige week was het zover; op 27 mei stemden de Statenleden voor de Eerste Kamer, waarvan de definitieve uitslagen op vrijdag 31 mei bekend werden gemaakt. Deze verkiezing lijkt in grote mate voorspelbaar, ervan uitgaande dat de verkozen statenleden op hun eigen partij stemmen. Toch resulteert de stemming vaak in een (net) andere uitslag dan de prognoses voorspellen op basis van de Provinciale Statenverkiezingen.

Ingewikkelde rekensom
Bij het vaststellen van de precieze verkiezingsuitslag komt bij elke verkiezing veel rekenwerk kijken, maar zeker bij de verkiezingen voor de Eerste Kamer. Niet alle stemmen wegen even zwaar; een Statenlid in een provincie met veel inwoners legt meer gewicht in de schaal dan een Statenlid van een provincie met weinig inwoners.

Dit systeem zorgt ervoor dat partijen moeten gaan rekenen of ze nog kans maken om een restzetel in de wacht de slepen. Partijen die nog kans maken op een restzetel, moeten stemmen zien te krijgen van andere partijen.

Koehandel
Omdat de restzetels politieke verschillen kunnen bepalen is het voor partijen nuttig om deals te sluiten met anderen. Zo kunnen bijvoorbeeld de statenleden van DENK, een partij die geen kans meer maakte op een Eerste Kamerzetel, stemmen op partijen die nog wel een extra zetel kunnen behalen. Ook kunnen coalitiepartijen onderling restzetels verdelen om het gezamenlijke zetelaantal te maximaliseren. Hier is dankbaar gebruik van gemaakt: de VVD en het CDA schoven hun reststemmen door naar de CU en D66. Een winst van twee zetels voor de coalitie dus. Statenleden kunnen ook onvrede laten horen door een stem op een andere partij. Zo stemde de volledige PVV-fractie uit Utrecht op FvD als kritiek op de landelijk koers van hun eigen partij.

Menselijke fout(jes)(en)
Het is echter niet altijd uit tactisch oogpunt dat de zetelverdeling afwijkt van de Provinciale Staten Verkiezingsuitslag. Er zijn in het verleden een aantal opmerkelijke foutjes gemaakt door Statenleden, met grote politieke gevolgen. Zo stemde D66-Statenlid Wim Cool in 2011 met een blauwe pen in plaats van het vereiste rode potlood, dat hij niet zag liggen in het stemhokje. Zijn stem werd ongeldig verklaard en er verschoof een Eerste Kamerzetel van D66 naar de SP. In 2007 kleurde Cheryl Braam van GroenLinks alle hokjes van haar partij rood, naar eigen zeggen uit spanning. In 1986 dachten twee VVD-Statenleden dat de stemming om 10 uur was, terwijl ze om 9 uur hadden moeten opdagen. Ook bij GroenLinks en bij de VVD werden de fouten afgestraft: in beide gevallen verdween er een zetel bij de partijen.

Een VAR-moment
Of het nu door een menselijke fout is of door het resultaat van wat sommigen “koehandel” noemen, de échte uitslag van de Eerste Kamerverkiezing krijgt men pas maanden na de Provinciale Staten verkiezingen te horen. Dat kan voor sommige partijen positief uitpakken, maar voor een individu het mislopen van het Eerste Kamerlidmaatschap betekenen.

Op basis van de getelde stemmen op de verkiezingsavond leek de VVD de grootste partij te worden. Echt bleek Forum voor Democratie de ochtend na de verkiezingen een zetel meer te halen en werd de grootste. VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff zei dat het voelde “alsof de VAR op het laatste moment een doelpunt afkeurt”. Maar misschien was de echte ‘VAR–beslissing’ de uiteindelijke uitslag op 27 mei, toen de coalitie de schade alsnog wist te beperken.

Weetje van de week: Evenementenlobby

Vorige week was de kogel definitief door de kerk: de Formule 1 komt in 2020 naar het Circuitpark Zandvoort. De Grand Prix van Nederland gaat tenminste de komende drie jaar in Zandvoort plaatsvinden, met de intentie om nog langer dan deze drie jaar door te gaan. Aan aandacht is geen gebrek: een half miljoen mensen hebben hun interesse uitgesproken via het portaal dat de organisatie heeft ingericht. Voor het eerst sinds 1985 komt de F1 dus weer terug in Nederland, mede dankzij een sterke lobby van hobbyracer prins Bernhard jr. – de eigenaar van het Circuitpark.

Strijd der Circuits
In 2016 leek de komst van een Nederlandse GP nog onmogelijk, omdat het te duur zou zijn en te weinig op zou leveren. Op dat moment zag de organisatie van de Formule 1 het eigenlijk ook niet zitten. Toen het Amerikaanse Liberty Media in 2017 de Formule 1 overkocht, creëerde dat mogelijkheden. De nieuwe eigenaar benadrukte namelijk dat er meer races in Europa moesten komen, het liefst op circuits met een rijke F1-historie. Dit creëerde een mogelijkheid voor Zandvoort. Tevens maakte het succes van Verstappen het commercieel aantrekkelijk om een thuisrace voor hem te organiseren. Op hetzelfde moment vond in Assen ook een inspectie van de baan plaats om te zien of het circuit klaar was voor een eventuele F1-race. De baan leek er in juli 2018 helemaal klaar voor, het wachten was dan alleen nog op een akkoord van de F1-organisatie. Deze interesse vanuit beide kampen, evenals interesse vanuit de organisatie voor beide circuits, leverde een onderlinge strijd op.

Tekenend voor het proces was het lekken van (des)informatie door beide partijen; er werd constant selectief gelekt en gesuggereerd. Als Zandvoort het niet voor elkaar had, dan zou het Assen worden. Zo is de druk op beide partijen hoog gebleven. Uiteindelijk werd het TT-circuit in Assen buitenspel gezet doordat brieven werden gelekt waarin de Amerikanen hun voorkeur uitspraken voor Zandvoort. Hiermee zijn wellicht potentiële geldschieters weggehouden van Assen.

Eurovisiesongfestival
Terwijl de strijd om de Formule 1 naar Nederland te halen vorige week eindigde, startte er deze week een nieuwe: welke Nederlandse stad mag volgend jaar de gastheer zijn van het Eurovisiesongfestival? Er zijn meerdere grote evenementenlocaties die deze taak graag op zich willen nemen en bereid zijn daar veel energie in te steken. Zo hebben locaties in Maastricht, Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Zwolle al interesse getoond. Bij de beslissing, die door de festivalorganisatie European Broadcasting Union (EBU), worden zaken meegenomen als hotelcapaciteit, het openbaar vervoer en de bereidheid van gemeenten en ondernemers om er geld in te investeren.

Niet alleen het feit dat het Eurovisiesongfestival nu naar Nederland komt zorgt voor een strijd tussen Nederlandse steden, zelfs de huldiging van de winner van dit jaar – Duncan Laurence – creëert een onderlinge strijd. Zowel Hellevoetsluis, Tilburg als Amersfoort hopen dat Duncan hun stad verkiest boven de andere voor een groots onthaal.

Nederland wordt de komende jaren dus het toneel van grote internationale evenementen. Naar de rest van de wereld schetst dit een beeld van eenvormigheid en capabiliteit. Maar zoals uit deze interne, interstedelijke conflicten blijkt, gaat dit niet altijd over roosjes.